Jean Leering kocht kunstenaars al jong aan

De eerste aankoop die Jean Leering (1934) deed voor het Van Abbemuseum, waarvan hij van 1964 tot en met 1973 directeur was, was een groep werken van Zerokunstenaars. Er zaten witte reliëfs bij van Jan Schoonhoven en van Piero Manzoni, een blauwe monochroom van Yves Klein, en een `rooktekening' van Otto Piene. Een revolutionaire aankoop, die alleen na veel getrouwtrek met de adviescommissie werd geaccepteerd. De inmiddels klassiek geworden Zerowerken hangen nu bijeen in een zaal van het Van Abbe, als onderdeel van De keuze van Jean Leering. Dit is de derde aflevering in een reeks tentoonstellingen waarin vier museumdirecteuren een keuze uit hun aanwinsten laten zien. Aan Leerings expositie gingen die van Jan Debbaut en Rudi Fuchs vooraf, en na hem volgt, in november, Edy De Wilde.

Het is absoluut verbazingwekkend wat Leering in de korte tijd van zijn directeurschap heeft verzameld. Van veel kunstenaars die nu als toonaangevend worden beschouwd maar die destijds nog vrijwel onbekend waren kocht hij in hoog tempo aan, vaak kort na het moment van ontstaan van het werk. Minstens even verbazingwekkend is het dat Leering zich al na enkele jaren van deze kunst afwendde omdat hij tot het inzicht kwam dat de autonome, zuiver abstracte, op zichzelf betrokken kunst te elitair was.

Begin jaren zeventig kwam hij tot het inzicht dat hij als museumdirecteur de taak had het publiek actief te betrekken bij de kunst, en dat dit niet het soort kunst was dat hij nog langer wilde tonen. Wanneer de mensen zouden participeren in de kunst, dan zouden ze ook gestimuleerd worden om verantwoordelijkheid te nemen voor hun bestaan, zowel individueel als in bredere maatschappelijke zin. Leering vond een groot medestander in Beuys en in diens ideeën over een `Sociale Plastiek'. Beuys huldigde de opvatting dat in iedereen een kunstenaar schuilt, en dat de mensen zelf tot betekenisgeving van kunstwerken moeten komen. Leering organiseerde in 1968 Beuys' eerste solotentoonstelling buiten Duitsland.

Leering maakte tijdens zijn studie bouwkunde in Delft een expositie 20e eeuwse moderne religieuze kunst, met ondermeer een maquette van het klooster van Le Corbusier en een betonnen raam van Fernand Léger. Deze tentoonstelling was achteraf bezien voor hem van profetische betekenis. Hier toonde hij kunstenaars – architecten, schilders, ontwerpers – die met elkaar samenwerkten, en die zichzelf ten dienste stelden van de gemeenschap. Leering zag deze idealen ook verwezenlijkt bij bijvoorbeeld Theo van Doesburg, en bij architecten als Adolf Loos en Van 't Hoff, aan wie hij later in het Van Abbe tentoonstellingen wijdde.

Leerings ideeën over de functie van het moderne museum culmineerden in de expositie De Straat (1972). Hij vatte de straat op als de plek waar maatschappelijke processen zichtbaar worden, en waar kunstenaars, architecten én de bewoners deel aan kunnen hebben. Met foto's, diaklankbeelden, film, video en maquettes werd de straat als `visueel environment' het museum binnengehaald. Leering haalde zich met deze tentoonstelling een overstelpende hoeveelheid kritiek op de hals, van vriend en vijand. Uiteindelijk leidde De Straat tot zijn vertrek uit het Van Abbe. Gedurende twee jaar probeerde Leering zijn ideeën te verwezenlijken als directeur van het Tropenmuseum, maar ook daar ondervond hij tegenwerking. Leering vertrok daarop als docent, en later hoogleraar, kunstgeschiedenis aan de TU in Delft. Aan zijn idealen bleef hij tot op de dag van vandaag trouw: momenteel werkt hij aan een boek over het samengaan van architectuur en beeldende kunst.

De kunstwerken die Leering nu selecteerde uit zijn aanwinsten groepeerde hij per zaal rond een stroming of een stilistisch principe. In een prachtige zaal met minimal art hangt ondermeer het grote zwarte doek Tuxedo Junction van Frank Stella (1960), van wie Leering ook een shaped canvas in oranje en groen uit 1967 aankocht; een sculptuur uit negen delen van Robert Morris (1968), een wandbeeld van Donald Judd (1969), en een mooi doek, een horizontale tweedeling in zwart en wit, van JCJ VanderHeyden. De werken in deze ruimte hebben het compositorische principe van de `deling' met elkaar gemeen. De Amerikaanse Colourfield Painting omvat Ellsworth Kelly, Stella, Larry Poons en Morris Louis, aangevuld met een vloersculptuur bestaande uit stalen wiebervormen van Bruce Nauman. In de Pop Artzaal bracht Leering werken bijeen van onder anderen Jim Dine, Robert Indiana, Jasper Johns, Martial Raysse, Christo (een ingepakte stoel uit 1964), Ger van Elk en Dieter Roth.

Leering kocht ook aan van oudere kunstenaars. Zijn scoop was een map met tientallen tekeningen, schetsen, aquarellen, voorstudies en ontwerpen van El Lissitzky, die hij kocht van de weduwe van de schilder Friedrich Vordemberge-Gildewart in Hannover, bij wie Lissitzky werk had achtergelaten. Maar ook is er een stralend schilderij van de Zwitserse schilder Richard Paul Lohse, die zijn doeken opbouwde uit geometrische, gelijkwaardige kleurelementen, en de beroemde Licht Raum Modulator (1923-30), het eerste kinetische lichtkunstwerk uit de geschiedenis, van de constructivist Laszlo Moholy-Nagy.

Tentoonstelling: De keuze van Jean Leering, Aanwinsten uit de periode 1964-1973. In het Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, Eindhoven. T/m 31 oktober. Di t/m zo 11-17 uur.