`Inquisitie in Beiroet': zanger onder vuur

Een populaire Libanese zanger wordt door de gerechtelijke autoriteiten in Beiroet van belediging van de islam beschuldigd. Maar hij krijgt veel steun.

Libanese intellectuelen zijn in rep en roer nu een prominente christelijke Libanese zanger in de gevangenis dreigt terecht te komen wegens belediging van de islam. Een onderzoeksrechter heeft zijn zaak zaterdag aan een rechtbank toevertrouwd met het advies hem tot maximaal drie jaar cel te veroordelen. In Beiroet wordt al herinnerd aan de tijden van de Inquisitie.

Het gaat om Marcel Khalife, een maronitische christen met communistische neigingen die tijdens de Libanese burgeroorlog (1975-1990) in Libanon beroemd is geworden met zijn gepassioneerde Arabische liederen en nu een cultfiguur is in de Arabische wereld. Khalife, wel betiteld als de Bob Dylan van het Midden-Oosten, heeft de beschuldiging als ,,onbegrijpelijk, irrationeel en onaanvaardbaar'' afgedaan en gezworen zich niet te laten muilkorven.

Khalife wordt ervan beschuldigd de islam te beledigen door uit de Koran te citeren in zijn lied `Ik ben Yusef, o mijn vader'. Het lied, waarvan de tekst in 1992 is geschreven en gepubliceerd door de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish, maakt deel uit van zijn in 1995 uitgebrachte album `De Arabische koffiepot'. In 1996 werd Khalife op grond van hetzelfde lied ook al van belediging van de islam beschuldigd. Maar de toenmalige premier, Rafiq Hariri, gaf na felle protesten van intellectuelen opdracht de zaak te laten rusten. Ditmaal hebben 200 advocaten aangeboden de zanger te verdedigen, en vandaag zou tijdens een solidariteitsbijeenkomst het gewraakte lied worden gezongen.

,,Veel islamitische geestelijken waarderen de tekst'' van het lied, zo zei Khalife afgelopen weekeinde in een vraaggesprek met de Arabische krant Al-Hayat. Hij wees erop dat het lied is opgedragen aan ,,de onderdrukte volkeren'' van Zuid-Libanon en de Palestijnen, die beide onder Israelische bezetting leven - iets dat het nog steeds goed doet bij de Arabieren. Bovendien, zo zei hij, is de gewraakte passage niet zozeer een vers uit de Koran als wel een interpretatie door de dichter. ,,Het lied is geïnspireerd door Yusef (Jozef, red.) die in alle godsdiensten wordt genoemd.''

De hoogste sunnitische geestelijke in Libanon, sjeik Mohammed Kabbani, zit achter Khalifes hernieuwde vervolging. Kabbani wees erop dat de Al-Azhar in Kairo, het toonaangevende islamitische instituut in de sunnitische wereld, een paar jaar geleden het gebruik van Koranverzen in liederen heeft verboden, ,,om elke schending van de islam te voorkomen''. De hoogste sunnitische raad in Libanon, die door Kabbani wordt geleid, onderstreepte op zijn beurt dat het reciteren van Koranverzen slechts is toegestaan in preken, toespraken, lofprijzingen aan God en vormen van wetenschappelijke studie.

Libanon is een lappendeken van religieuze en etnische gemeenschappen - en bepaald geen Talibanistan – en ook onder islamitische geestelijken is de verscheidenheid groot. De shi'ieten - veel talrijker in Libanon dan de sunnieten - hebben zich dan ook tegen vervolging van Khalife gekeerd. De geestelijk leider van de fundamentalistische beweging Hezbollah, sjeik Mohammed Hussein Fadlallah, bijvoorbeeld verklaarde: ,,Wanneer een gedicht over een humanitair thema een woord of een vers van de Koran bevat, zien we dat niet als belediging van de Koran.'' Volgens Fadlallah drukt het omstreden lied ,,humanitaire bezorgdheid voor de onderdrukten uit, uitgebeeld door Yusefs ellendige ervaringen met zijn broers''. Een andere shi'itische geestelijke, Mohammed Hassan al-Amin, stelde dat de Koran juist altijd als inspiratie heeft gediend voor Arabische dichters en schrijvers. ,,Niets rechtvaardigt enige beschuldiging dat hij de Korantekst heeft geschonden.''

Ook druzenleider Walid Jumblatt, die in de burgeroorlog nog met grote ijver christenen uit druzisch gebied heeft laten verjagen, staat pal achter Khalife. ,,Libanon kan niet verder als er geen verschillende visies zijn op cultuur, politiek en kunst'', zei hij.