Hang de verantwoordelijken!

De bestuurders van de provincie Zuid-Holland hadden niet verbaasd moeten opkijken als het `geïntensiveerde treasury-beleid' dat onder hun verantwoordelijkheid werd gevoerd een Nick Leeson had gebaard die het hele Provinciehuis in de lucht had laten vliegen. Misschien was het ooit nog zover gekomen als de Ceteco-affaire niet een roemloos einde aan de geheime bankiersbesognes van de provincie had gemaakt. Het einde kwam, in de woorden van de commissie-Van Dijk, nadat ontdekt werd dat het geïntensiveerde treasury-beleid niet alleen kansen op `pure winsten' maar ook risico's van substantiële verliezen had opgeleverd en naar alle waarschijnlijkheid met een negatief saldo zal moeten worden afgesloten.

Het eindoordeel dat de Commissie van onderzoek naar de geldleningen van Zuid-Holland over het treasury-beleid van de bankierende provincie heeft geveld is voor alle betrokken partijen ongeflatteerd vernietigend. Alle organen die er de hand in hebben gehad, dan wel onvoldoende controle hebben uitgeoefend (Gedeputeerde Staten, commissaris der koningin, Provinciale Staten, ministerie van Binnenlandse Zaken, ambtelijke diensten) krijgen er ongenadig van langs.

Het besluit van Gedeputeerde Staten van oktober 1995, op grond waarvan het bankieren door de provincie mogelijk werd gemaakt, is ,,naar inhoud ondeugdelijk en extreem riskant, onrechtmatig, want onbevoegd genomen en democratisch ontoelaatbaar, omdat het Provinciale Staten buitenspel zette'. Het college van Gedeputeerden had het besluit niet per ongeluk aan Provinciale Staten vergeten te melden, maar bewust – ,,na ampel beraad'. Die geheimhouding is het college, aldus de commissie-Van Dijk, in zijn geheel aan te rekenen. Na dat oordeel doen de nuanceringen die de commissie over de verantwoordelijkheid van de individuele betrokkenen aanbrengt, er eigenlijk niet zo veel meer toe. Ook de Staten, die morgen over het rapport van de commissie beraadslagen, worden niet gespaard. Ze hebben enige keren achtereen de jaarrekening laten passeren zonder alarm te slaan of de accountant aan de tand te voelen.

De Staten zullen de bestaande arbeidsdeling niet ongemoeid kunnen laten, maar opnieuw grenzen van verantwoordelijkheid en bevoegdheid moeten vaststellen. De volksvertegenwoordigers van Zuid-Holland zouden er goed aan doen niet al hun kruit te verschieten op de uitvoerende ambtenaren die de miljoenenbeleggingen van de provincie erdoor gejaagd hebben. In het rapport van de commissie worden die ambtenaren zo hardhandig door de mangel gehaald dat de verantwoordelijke politici de neiging zouden kunnen krijgen hun handen in onschuld te wassen. De verleiding zal groot zijn de voor de uitvoering verantwoordelijke ambtenaar mr. K. Baarspul (die j.l. zaterdag het Hollands Dagboek in het Zaterdags Bijvoegsel schreef) als bliksemafleider te gebruiken; verstandige bestuurders zullen die verleiding echter weerstaan. Tegen ambtenaren die de wet aan hun laars hebben gelapt, besluiten eigendunkelijk hebben uitgevoerd of zich bevoegdheden hebben aangemeten die aan anderen toebehoorden, moeten maatregelen worden genomen, maar die maatregelen gaan de buitenwereld niet aan. Als het vermoeden van strafrechtelijke feiten bestaat, dan moet de justitie erbij gehaald worden, maar als het om disciplinaire maatregelen gaat, hoeven de ambtelijke boosdoeners niet op de brink te worden tentoongesteld.

Als er schuldigen moeten worden gehangen, moeten dat de verantwoordelijke bestuurders zijn. In de eerste plaats die bestuurders die het bankiersbesluit van oktober 1995 bewust buiten de provinciale volksvertegenwoordiging om hebben genomen en dat besluit vervolgens geheim hebben gehouden. In de tweede plaats die bestuurders in de leiding van het provinciebestuur die volgens de commissie een bijzondere verantwoordelijkheid droegen.

Nadere aandacht verdient de rol van de commissaris der koningin. Mevrouw Leemhuis was het zozeer met het omstreden leningsbesluit van het College van GS oneens, dat zij destijds tegen stemde. Zij had de bevoegdheid (niet de plicht) dat besluit voor vernietiging bij de minister voor te dragen, maar zij gebruikte die niet op grond van overwegingen van collegialiteit die door de commissie worden gebillijkt. De commissie valt Leemhuis daarover niet hard, omdat zij deel uitmaakte van een collegiaal bestuur en de interne verhoudingen onder grote druk zou hebben gezet als zij met het leningbesluit naar de minister was gelopen.

Toch lijkt het erop dat de commissaris der koningin functioneel tussen twee loyaliteiten bekneld heeft gezeten. De CdK leidt niet alleen het College van Gedeputeerde Staten, maar ook de vergadering van Provinciale Staten. Ze is dus voorzitter van beide organen en tevens stemhebbend lid van GS. Volgens de commissie handelde ze in die laatste capaciteit niet als orgaan van het Rijk, maar als provinciaal bestuurder en was daarover verantwoording schuldig aan de Staten. Zij maakte daarbij deel uit van een collegiaal bestuurslichaam dat doorgaans unanieme besluiten neemt, maar zo nodig besluit op basis van een meerderheid van de leden. Zodra zo'n besluit is genomen, mag volgens de commissie van alle leden medewerking aan de uitvoering worden verwacht, ook van leden die tegenstemden.

Toch vindt de commissie dat er wel reden was om het besluit voor vernietiging voor te dragen. Mevrouw Leemhuis, aldus de commissie, is zich niet bewust geweest van het feit dat GS een besluit nam waartoe alleen de Staten bevoegd waren. ,,Zou dit wel het geval zijn geweest, dan zou, naar het oordeel van de commissie, een voordracht tot vernietiging op die gronden ernstig moeten zijn overwogen'. Dat oordeel houdt nogal wat in! Hier staat namelijk dat de commissaris op een essentieel punt de Provinciewet niet kende. Een ambtenaar mag op een examen staatsrecht voor zo'n punt desnoods een onvoldoende halen, maar een commissaris der koningin mag dat natuurlijk niet.