Euthanasie

In de debatten om de regelgeving rond euthanasie ontbreekt stelselmatig een argument. Steven Matthijsen (`Rol arts bij euthanasie valt weg', NRC Handelsblad, 23 september) noemt het ook niet. Hij beklaagt die artsen die bij sollicitaties een handicap zouden hebben omdat zij desgevraagd melden `tegen euthanasie' te zijn en profeteert een toekomst waarin artsen tuchtrechtelijk aangesproken kunnen worden wanneer zij een verzoek om euthanasie weigeren te honoreren.

,,De ethiek van Hippocrates is dan voorgoed afgeschreven,'' stelt Matthijsen, zonder zich daarbij rekenschap te geven van de huidige rol van de medische ethiek, namelijk het argumentatief onderbouwen van de technologische vooruitgang van de medische wetenschap, waarin Hippocrates' erfenis slechts opduikt wanneer deze de claim `het lijden te verlichten' kracht kan bijzetten.

De vooronderstelling die aan de moderne euthanasiedebatten ten grondslag ligt, namelijk dat deze `goede dood' daadwerkelijk een einde maakt aan het lijden en dus dat er na dat sterven niets meer volgt, wordt zelden of nooit als zodanig blootgelegd.

Daardoor blijft er in de debatten onevenredig veel ruimte over voor het lijden van mensen die het sterven van een ander niet kunnen aanzien, en het lijden van een arts die druk ervaart aan een verzoek tot euthanasie tegemoet te moeten komen.

Het mogelijke lijden aan gene zijde wordt kennelijk te gek voor woorden geacht, ook door Steven Matthijsen, die vorig jaar nog participeerde in de totstandkoming van een boek waarin juist deze, over het algemeen verzwegen, vraag centraal stond.