Europa heeft geen zetbaas Prodi nodig

De nieuwe Europese Commissie moet zo snel mogelijk gezag veroveren onder de Europese regeringsleiders, vindt

Ben van der Velden. Alleen zo kunnen de grote problemen waarvoor de EU binnenkort komt te staan worden opgelost.

De motor van de Europese integratie loopt weer, maar vooralsnog pruttelend. Romano Prodi heeft dankzij veel jongleren met woorden de steun van het Europees Parlement voor zijn Europese Commissie gekregen. Hij ging in op eisen om meer zeggenschap van het parlement over de Eurocommissarissen en hield er tegelijkertijd aan vast dat hijzelf uiteindelijk beslist of een lid van zijn Commissie wel of niet geschikt is voor zijn werk.

Nu mag Prodi de Europese regeringsleiders gaan tonen of hij de sterke voorzitter van de Europese Commissie is die zij gezegd hebben te willen. Blijken moet of de regeringsleiders werkelijk een sterke voorzitter van de Europese Commissie kunnen dulden en hoe Prodi reageert als hij tegenwind uit de Europese hoofdsteden krijgt.

Prodi moet laten zien dat de Europese Commissie weer volwaardig kan functioneren als het enige orgaan van de Europese Unie dat boven de lidstaten staat. De combinatie van problemen van een Europese Unie die verder wil integreren en die tegelijkertijd wil uitbreiden met nieuwe lidstaten, kan niet worden opgelost als de Europese Commissie onvoldoende gezag heeft bij de Europese regeringsleiders.

De eerste signalen geven niet de indruk dat de crisis van dit voorjaar ertoe heeft geleid dat de verhouding tussen de nationale regeringen en de Commissie al ingrijpend is veranderd. Zo heeft Prodi twee stellige standpunten fors afgezwakt nadat hem door lidstaten te kennen was gegeven dat zijn optreden niet op prijs werd gesteld. Het eerste ging over de uitbreiding van de Europese Unie. Prodi heeft de Europese regeringsleiders opgeroepen om in december op de top van Helsinki data vast te stellen waarop kandidaat-lidstaten tot de EU kunnen toetreden. Dat was tegen het zere been van een hele reeks landen, variërend van Frankrijk tot Oostenrijk. De huidige voorzitter van de EU, Finland, is niet van plan de kwestie van de data op de agenda van de bijeenkomst in Helsinki te zetten, omdat veel EU-lidstaten pas in een veel later stadium hierover willen praten. Toen dat Prodi duidelijk was geworden, zwakte hij snel zijn standpunt af. Hij zei dat kandidaat-lidstaten het recht hebben te weten hoe lang het hele proces van toetreding duurt, maar dat het niet nodig is om in Helsinki ,,details van data'' te noemen.

Prodi heeft ook gezegd voorstander te zijn van een `brede' Intergouvernementele Conferentie (IGC). De Europese regeringsleiders willen in december in Helsinki beslissen over welke wijzigingen in het Verdrag van de Europese Unie tijdens een IGC onderhandeld moet worden. Afgelopen zomer besloten ze in Keulen dat die IGC beperkte tijd mag duren en eind 2000 onder Frans voorzitterschap afgesloten moet worden.

Prodi wil bij deze IGC zoveel zaken afhandelen, dat de Europese onderhandelingstafel daarna voor lange tijd opgeslagen kan worden. Maar de ervaring met het Verdrag van Amsterdam in 1997 heeft geleerd dat het doeltreffender kan zijn om bij een IGC niet te veel hooi op de vork te nemen en slechts over een beperkt aantal kwesties te onderhandelen. Prodi's voortvarendheid is weinig enthousiast ontvangen in sommige Europese hoofdsteden, met name in Parijs. Veel EU-lidstaten willen een IGC die zich beperkt tot onderhandelingen over institutionele hervormingen, de zaken waarover de regeringsleiders tijdens de top van Amsterdam geen overeenstemming wisten te bereiken. Dat is moeilijk genoeg, is de redenering, want die hervormingen gaan over de macht van de individuele lidstaten, het gevoeligste punt in de EU.

Na de kritiek aangehoord te hebben, haastte Prodi zich om zijn pleidooi voor een `brede' IGC af te zwakken. Hij zou de regeringsleiders slechts willen stimuleren om meer te doen dan het zoeken naar een minimum waarover zij het allen eens zijn. Hij relativeerde zijn eigen positie als voorzitter van de Europese Commissie door te benadrukken dat het de Europese regeringsleiders zijn die unaniem over de zaak moeten beslissen.

Eigenlijk kan de EU op het ogenblik wel iets beters gebruiken dan een voorzitter van de Europese Commissie die snelle terugtrekkende bewegingen maakt. Lidstaten hebben natuurlijk gelijk als zij betogen dat het zo kort na de top van Amsterdam niet het moment is om opnieuw een enorme verlanglijst voor onderhandelingen op te stellen. Maar toch is het noodzakelijk dat iemand met gezag de regeringsleiders duidelijk maakt dat de EU meer nodig heeft dan overeenstemming over de drie moeilijke restanten van de top van Amsterdam, namelijk het beperken van de omvang van de Europese Commissie, de herziening van het stemgewicht van de lidstaten en uitbreiding van het aantal zaken waarover met een gekwalificeerde meerderheid in plaats van met eenstemmigheid kan worden beslist.

Otmar Issing, bestuurslid van de Europese Centrale Bank, heeft er onlangs nog eens op gewezen dat de Economische en Monetaire Unie (EMU) alleen een succes kan worden als deze wordt aangevuld met een politieke unie. Omdat niet alle EU-lidstaten aan de EMU deelnemen, betekent dit in feite het weer op tafel brengen van de oude vraag of de EU kan bestaan uit groepen landen die in verschillende mate zijn geïntegreerd. Het Verdrag van Amsterdam heeft het mogelijk gemaakt dat een groep landen nauwer gaat samenwerken, mits de niet aan die samenwerking deelnemende lidstaten daar geen bezwaar tegen hebben. Bovendien dient de groep landen die verder wil integreren een meerderheid van de lidstaten te vormen. Dat was een zeer onvolkomen compromis.

Nu nog nemen slechts vier lidstaten niet deel aan de EMU. Als de EU uitbreidt met nieuwe lidstaten, betekent dat een toename van het aantal landen dat (nog) niet aan de EMU meedoet. Dat heeft als gevolg dat het aantal landen dat nauwere samenwerking van de EMU-deelnemers op bijvoorbeeld fiscaal gebied kan tegenhouden, ook toeneemt. Bij een EU die op den duur van de huidige vijftien tot dertig lidstaten kan groeien is een oplossing gewenst die voorkomt dat uitbreiding gaat werken als een rem op de integratie van de oude lidstaten. Als die er niet komt, komt er niets terecht van de oude wens dat de EMU de landen van de EU dwingt tot een politieke unie.

Als Prodi de Europese regeringsleiders ervan wil overtuigen dat verdragswijzigingen tot stand moeten komen waarbij de belangrijke institutionele kwesties van de EU geregeld worden, moet hij stoppen met het doen van harde uitspraken die hij na het eerste gekuch in de hoofdsteden afzwakt. De zwakte van zijn voorganger Jacques Santer was dat die dikwijls functioneerde als zetbaas van regeringsleiders. De EU heeft geen behoefte aan iemand die deze traditie voortzet.

Ben van der Velden is correspondent van NRC Handelsblad in Brussel.