Vijftig jaar hulp

DE ONTWIKKELINGSHULP is jarig, maar veel te vieren valt er niet. In dezelfde week waarin Nederland stilstond bij vijftig jaar ontwikkelingssamenwerking werd besloten om de bilaterale hulp aan Zimbabwe te schrappen en werd er een internationaal akkoord bereikt over de financiering van schuldkwijtschelding aan de armste landen.

In 1949 begon Nederland, geïnspireerd door een conferentie van de Verenigde Naties, met een bescheiden hulpprogramma. Meer dan in de meeste andere landen bestond hiervoor in Nederland altijd een breed draagvlak: de traditie van missie en zending vanuit christen-democratische hoek, de sociaal-democratische wens tot emancipatie van ex-koloniën en de liberale aandacht voor exportbevordering vonden elkaar in een steeds omvangrijker hulpprogramma. Eind jaren tachtig besteedde Nederland meer dan één procent van het bruto nationale product aan ontwikkelingssamenwerking. Dat percentage is inmiddels teruggelopen, maar nog altijd behoort Nederland tot de grote donoren. In totaal is in vijftig jaar zo'n 115 miljard gulden aan ontwikkelingshulp besteed.

HELPT HULP? Die vraag valt onmogelijk te beantwoorden – alle evaluaties van de hulpprojecten ten spijt. Want het beleid is de afgelopen halve eeuw onderwerp geweest van voortdurend wisselende prioriteiten, veranderende opvattingen en verschuivende panelen. Bovendien is het effect van hulp sterk afhankelijk van de omstandigheden in het ontvangende land. Burgeroorlogen en oorlogen, hongersnoden en natuurrampen, desastreus macro-economisch beleid, hardnekkige ongelijkheid en grootschalige corruptie hebben dramatische gevolgen voor de economische ontwikkeling en daarmee voor de levensverbetering van arme mensen. Dat Nederland vorige week besloten heeft om Zimbabwe van de lijst met hulplanden te schrappen wegens het slechte beleid in dat land, is tekenend.

Achter de vraag naar het effect van de hulp gaat een andere vraag schuil. Wat is de rol van overheden bij het op gang brengen van economische ontwikkeling? De gedachte dat staatsinterventie een land kan `ontwikkelen' is in West-Europa allang opgegeven en heeft, na de deconfiture van het Sovjetmodel, ook in ontwikkelingslanden aan geloofwaardigheid verloren. Toch is dit nog steeds het uitgangspunt van de officiële hulp.

Eén van de gevolgen hiervan is de berg aan hulpschulden die arme, vooral Afrikaanse ontwikkelingslanden niet kunnen aflossen. Na jaren van publiekscampagnes, onder meer gesteund door de paus, popmusici en actiegroepen, is vorige week eindelijk een internationaal akkoord bereikt over kwijtschelding van het grootste deel van de schulden van de armste landen.

BIJ DIT GENEREUZE gebaar vallen ten minste twee kanttekeningen te maken. Ten eerste betaalden de meeste arme landen hun schulden toch al niet af. Dus zal er wat betreft de `netto-geldstroom' niet veel veranderen en komt er door de kwijtschelding niet meer geld beschikbaar voor onderwijs en gezondheidszorg. Ten tweede toont de kwijtschelding voor ruim veertig landen aan dat deze landen er niet in geslaagd zijn met de officiële hulp die ze ontvangen hebben een begin van economische dynamiek te genereren. Deze landen zijn voor hun harde deviezen afhankelijk van buitenlandse hulp en hulp vormt de belangrijkste inkomstenbron voor hun begrotingen. Naast alle positieve dingen die over afzonderlijke projecten gezegd kunnen worden en over de nuttige besteding van ontwikkelingsgeld op microschaal, moet worden vastgesteld dat het macro-economische doel van de hulp na een halve eeuw niet is bereikt.