Standvastig leider in roerig Amsterdam

Vijf dagen in 1980 waren voor Wim Polak voldoende om zijn greep op Amsterdam te herstellen. Op 30 april van dat jaar stond de hoofstad onder het motto `geen woning/geen kroning' bijna in brand. Terwijl Beatrix op de Dam werd ingehuldigd, verrezen elders barricades, vlogen stenen door de lucht en moest de politie toezien hoe er op het Rokin `proletarisch' werd gewinkeld. Op 5 mei was het in datzelfde Amsterdam feest. Mokum stond massaal met vlaggetjes langs de kant voor de Canadese veteranen die bevrijdingsdag kwamen herdenken. Polak begreep het signaal: de chaos was voorbij. Sindsdien kon Polak doen wat hij wilde zonder dat de gemeenteraad hem lastig viel, zelfs als de burgemeester zelf wist dat hij de grenzen van de wet al te ruim had geïnterpreteerd.

Wim Polak, vrijdag na een zware ziekte overleden, was een sociaal-democraat uit klassiek Amsterdams hout gesneden: vaak minzaam en vol begrip, maar op kritieke momenten standvastig. Polak, geboren in 1924, groeide op in De Pijp en de Rivierenbuurt. Een groot deel van zijn familie werd tijdens de bezetting door de nazi's vermoord. Polak overleefde de oorlog dankzij een onderduikadres in Twente. Hij ging economie studeren en werd journalist bij Het Vrije Volk, de krant van de PvdA. In 1962 werd hij voor die partij lid van de gemeenteraad. Drie jaar later werd hij wethouder. In die functie maakte hij het huwelijk van Beatrix, het bouwvakkersoproer en het vertrek van burgemeester Van Hall mee. In 1973 werd hij staatssecretaris in het kabinet van ex-collega Den Uyl.

Toen Polak in 1977 vervolgens burgemeester werd van Amsterdam was het op het stadhuis een puinhoop. De grootste partij in de gemeenteraad, zijn eigen PvdA, lag in scherven. De interne conflicten rondom de aanleg van de metro waren zo verwoestend geweest dat er feitelijk twee PvdA's bestonden die vooral elkaar bestreden. Deze erfenis liet zich niet in een handomdraai in goede banen leiden. Weliswaar traden een jaar later ex-staatssecretaris Jan Schaefer en de antirevolutionaire CDA'er Enneüs Heerma toe tot het college, maar het onderlinge wantrouwen bleef doorwroeten. De drie eerste jaren waren voor Polak de moeilijkste, al dacht de buitenwereld dat de laatste jaren de zwaarste waren. Want net toen hij het college op orde had en de bouw van de Stopera waarop hij zo trots was kon beginnen, doken de krakers op. In maart 1980 kwam het rond de Vondelstraat tot een grote confrontatie met de politie. Een weekeinde lang hadden de krakers daar vrij spel. Op maandagmorgen greep Polak met pantservoertuigen in. Het pamflet dat hij aan de vooravond liet verspreiden kreeg, mede door de zinsnede `de colonne eenmaal in beweging is niet meer te stoppen', spreekwoordelijke betekenis.

Maar bij de `kroningsrellen' stond de politie machteloos. Sommige commandanten overwogen met scherp te schieten. Het gebeurde niet. De grootschalige ontruimingen daarna verliepen relatief geruisloos. Tijdens Polaks zesjarige ambtsperiode zou geen enkele dode vallen. De kraakbeweging bleef het niettemin op hem persoonlijk (`Polak zwijn, we krijgen je wel klein') gemunt houden.

Polak werd mede daardoor bekend als de burgemeester die anarchistisch Amsterdam weer in het gareel kreeg, een taak die zijn voorganger Samkalden niet had weten te volbrengen. Toch doet dit beeld hem geen recht. Polak heeft meer betekend. Tijdens zijn burgemeesterschap wist Amsterdam haar langzame leegloop tot staan te brengen. Het was Schaefer die de betonmolens liet draaien zodat Amsterdam weer een stad werd waar mensen konden wonen. Het was Heerma die de bruggen sloeg naar de christen-democraten in Den Haag. Maar het was Polak die deze twee, inmiddels ook overleden, wethouders van dekking voorzag. Zonder hem was het stadsbestuur niet in staat geweest tot handelen maar ten offer gevallen aan de polarisatie waaraan de politieke partijen in de jaren zeventig hun hart hadden verpand.