Nederland langzaam met anti-corruptiewetgeving

Nederland krijgt een wet die steekpenningen betalen aan een buitenlandse ambtenaar verbiedt. De Verenigde Staten lobbyen daar al meer dan twintig jaar voor.

De Amerikaanse vice-president Al Gore tikte Nederland in februari van dit jaar nog publiekelijk op de vingers op een internationale conferentie over fraude. Nederland was één van de landen die het anti-corruptieverdrag dat de lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in 1997 sloten nog altijd niet had omgezet in nationale wetgeving.

President Clinton had dat vorig jaar in november ook al aangestipt. ,,Sommige van onze belangrijkste handelspartners subsidiëren corruptie door steekpenningen aftrekbaar te maken van de belastingen'', zei hij in een toespraak ter gelegenheid van de invoering van verscherpte anti-corruptiewetgeving in de Verenigde Staten. Nederland is één van die landen.

Minister Korthals (Justitie) heeft in april een wetsvoorstel ingediend dat voorziet in de aanpassing van het Wetboek van Strafrecht aan het OESO-verdrag en een eerder binnen de Europese Unie gesloten fraudeverdrag. Als het parlement met het voorstel van Korthals instemt, wordt het voor Nederlandse bedrijven vanaf eind december strafbaar om in het buitenland steekpenningen te betalen aan ambtenaren. Nederlandse ambtenaren omkopen is nu ook al strafbaar.

Niet alleen de werknemer die zich uit naam van een onderneming schuldig maakt aan corruptie kan met strafvervolging te maken krijgen, maar ook zijn opdrachtgever of leiddinggevende. Naast geldboetes kan ook gevangenisstraf opgelegd worden. Daarnaast kan de onderneming zelf, als rechtspersoon, vervolgd worden en een geldboete krijgen. Voor corruptie veroordeelde bedrijven worden bovendien publiekelijk aan de schandpaal genageld, want ieder vonnis is openbaar.

Het gezichtsverlies dat daarmee gepaard gaat is in de Verenigde Staten de voornaamste reden voor bedrijven om de anti-corruptiewetgeving serieus te nemen, ook al komt het in hooguit een of twee zaken per jaar tot een veroordeling. De Verenigde Staten hebben al sinds 1977 een wet die het bedrijven overal ter wereld verbiedt met smeergeld over de brug te komen om opdrachten binnen te slepen. Sindsdien hebben iets meer dan dertig rechtszaken tot een veroordeling geleid.

Dat lijkt bescheiden, maar het drukt toch een zware stempel op de Amerikaanse economie. Amerikaanse multinationals betalen de tol voor de strenge anti-corruptiewetgeving waar de VS, als hoeder van democratische waarden en eerlijke handel, goede sier mee maakt. Ze lopen jaarlijks naar schatting dertig miljard dollar aan buitenlandse opdrachten mis omdat ze weigeren smeergeld te betalen.

Niet voor niets lobbyen de Amerikanen dan ook al meer dan twintig jaar voor internationale wetgeving die corruptie verbiedt. Als niemand meer steekpenningen betaalt, vervalt immers dit `concurrentienadeel' voor de Verenigde Staten.

Maar in de praktijk blijkt altijd wel iemand bereid om toch steekpenningen te betalen. Volgens het Amerikaanse ministerie van handel zijn fabrikanten van wapens en vliegtuigen en bedrijven in de telecom-, energie-, bouw- en transportsector voor een belangrijk deel van hun internationale orders afhankelijk van corruptie. In het voormalige oostblok en in veel derde-wereldlanden is zaken doen zonder smeergeld zelfs zo goed als onmogelijk.

Voor veel landen, waaronder tot voor kort ook Nederland, is dat reden om niet zo zwaar te tillen aan anti-corruptiewetgeving. Dat verslechtert de internationale concurrentiepositie alleen maar. Nederland stond daarin in Europa niet alleen. Frankrijk, Italië, Spanje en Zwitserland hebben tot nu toe evenmin werk gemaakt van de aanpassing van de nationale wetgeving aan het ook door hen ondertekende OESO-verdrag.