Japanse overheid faalt als controleur en uitvoerder

Het kernongeluk in Japan lijkt een geïsoleerd incident. Maar er zijn redenen het te zien als uiting van chronisch overheidsfalen.

Verantwoordelijk minister Akito Arima putte zich gistermorgen voor de televisiecamera's uit in verontschuldigingen over het ergste kernongeluk uit de Japanse geschiedenis en in beloften dat het in de toekomst beter zou gaan. ,,Daar gaat het niet om'', zei discussieleider Soichiro Tahara, die moeite had zijn woede te onderdrukken, ,,we willen weten hòe het zover heeft kunnen komen''. Maar op die vraag bleef Arima het antwoord schuldig.

Al zeker vijf jaar verwerkt het bedrijf JCO, onderdeel van het grote Sumitomo-concern, verrijkt uranium via een methode die indruist tegen de veiligheidsvoorschriften, zei een medewerker van JCO zaterdag op een persconferentie. Twee jaar terug is deze methode zelfs te boek gesteld en van officiële stempels van verantwoordelijke managers voorzien. Afgelopen week leidde dit uiteindelijk tot een ernstig ongeluk en de overheid, die controle zou moeten uitoefenen op deze industrie, blijkt niets te hebben geweten. Of doet alsof zij niets weet.

Op het eerste gezicht lijkt er sprake te zijn van een geïsoleerd incident. Maar er zijn ook redenen het overheidsfalen als een chronische ziekte te beschouwen.

Japanse ambtenaren besturen met ,,absolute macht'', zoals Japanse kranten het routinematig formuleren. Deze macht is gebaseerd op de vage formulering waarmee de diverse Japanse ministeries in het leven zijn geroepen. Hoogleraar Heizo Takenaka formuleerde het onlangs tijdens een lezing aldus: ,,Bijvoorbeeld, met de formulering `Het ministerie van Financiën voert het bestuur over overheidsfinanciën en de financiële sector' heeft Financiën vrije, absolute macht gekregen en kan het doen wat het wil'.''

Onder deze overheidsleiding heeft Japan jarenlang onder een aantal `mythes' geleefd. De mythe bijvoorbeeld dat kernenergie absoluut veilig is, zoals gisteren een deelnemer aan het bovengenoemde discussieprogramma zei. Een andere mythe die de laatste jaren is doorbroken, is het eeuwige leven van de banken. Beide zaken komen in die zin overeen dat in de overheid de taken van controleur en uitvoerder samenvallen.

Er zijn praktische grenzen aan de macht van ambtenaren, maar het duidelijkst worden de beperkingen van hun mogelijkheden tegenwoordig aangetoond door de economische terugval. Bescherming door de overheid – faillissementen in de financiële sector werden tot voor kort niet getolereerd – heeft de afgelopen jaren werkelijk hopeloze banken niet kunnen redden. De overheid faalde dus als uitvoerder. Ná faillissement bleek elke keer ook dat er al jarenlang allerlei illegale boekhoudkundige trucs waren uitgevoerd om het leven van banken te rekken. Ook als controleur had de overheid dus gefaald, in een poging juist haar rol als uitvoerder te beschermen.

Ook in het geval van JCO lijkt het de economische recessie van de laatste jaren te zijn geweest die het bedrijf uiteindelijk parten heeft gespeeld. In de krant Sankei van vandaag noemt een anonieme zegsman uit de nucleaire industrie ,,kostenreductie'' als de reden dat JCO (dat de afgelopen drie jaar zowel omzet als winst sterk zag dalen) zich niet aan de wettelijke voorschriften hield bij de verwerking van uranium, een ontwikkeling die uiteindelijk tot het drama van vorige week heeft geleid. De verantwoordelijke autoriteiten in dezelfde krant: ,,Wij geven een vergunning af voor splijtstofverwerkende fabrieken in de veronderstelling dat men geen ongelukken begaat, bovendien had JCO procedurebeschrijvingen ingediend die overeenkwamen met de regels.''