Happy end van Alceste in vaal licht

De opera Alceste (1769) van Gluck, in de Franse versie voor het eerst bij de Nederlandse Opera op het programma, is het complement op Glucks veel bekendere opera Orfeo ed Euridice (1762). Beide opera's – met libretti van Calzabigi op een antiek Grieks gegeven – gaan over de onvermijdelijkheid van de dood, die door de mens niet wordt aanvaard. De twee opera's van Gluck zijn ook muzikaal sterk verwant en lopen beide, zoals in de 18de eeuw was vereist, goed af. Ondanks de aanvankelijk onverbiddelijke wil der goden dat een mens moet sterven, halen zij uiteindelijk hun hand over hun hart. Het leven mag zijn loop hernemen, zo lang het nog duurt, want eens zal er toch een eind aan komen. Zo tonen beide opera's een menselijke beproeving, die het publiek moet louteren.

Orfeo ed Euridice, enkele jaren geleden gebracht in de regie van Peter te Nuyl, speelt zich af in de onderwereld, waar Orfeo zijn gestorven Eurydice mag ophalen. Ze weigert naar het leven terug te keren, zolang ze niet weet wie haar ophaalt. Als Orfeo haar aankijkt moet Euridice weer terug, tot de goden opnieuw genade tonen.

Alceste, geregisseerd door Pierre Audi, speelt zich af terwijl iedereen nog leeft. Koning Admète zal sterven, zo heeft het orakel gezegd, tenzij iemand anders voor hem wil sterven. Zijn echtgenote Alceste offert zich op, maar Admète weet aanvankelijk niet dat hij aan haar zijn leven dankt. Als hij daar achter komt, verwijt hij Alceste hem alleen achter te laten. Alceste zegt dat haar vrijwillige dood geen offer is. Ze zou zonder Admète niet kunnen voortleven. Uiteindelijk bewerkstelligt Hercules dat man en vrouw beide mogen blijven leven.

Audi plaatst Alceste in een streng en geometrisch decor van Jean Kalman, de belichter van de meeste Audi-producties, die hier zijn eerste Amsterdamse operadecor ontwierp. De productie is, zoals altijd bij Audi, zeer sober, maar refereert niet meer expliciet aan de oer-elementen. Na Der Ring des Nibelungen, die in juni werd uitgevoerd, lijkt Audi zijn stijl enigszins te hebben vernieuwd. Vrijwel elk naturalisme is verdwenen - op twee tronen en een vloer vol bloemen na. De lege ruimte wordt gevuld met enkele hangende schermen, op het podium staan bankjes voor het koor, die men ook als doodskisten kan zien. De eerste acte is geheel zwart, de tweede acte geheel wit en de derde acte weer geheel zwart. Daarbij heeft de belichting telkens een belangrijke sfeerbepalende rol. De slotacte voor de poorten van de onderwereld, speelt zich af in een jungle van hanglampen. Ze liggen eerst op de grond liggen en zorgen uiteindelijk, als ze worden opgetrokken, bij de goede afloop van het verhaal voor een merkwaardig vaal licht.

Hartmut Haenchen heeft de partituur flink bekort: vrijwel alle balletmuziek is eruit, ook vocale delen zijn geschrapt. De voorstelling, waarin men idealiter Callas in de titelrol zou willen zien, behelst slechts de kern van het drama. Met die inzet dirigeert Haenchen ook Glucks somber gespannen muziek bij het Nederlands Kamerorkest, zodat hier sprake lijkt van een barok soort `verismo', het realisme in de opera, dat ruim een eeuw later opgang maakte. Al ontbeert Alceste de populariteit van Orfeo ed Eurydice met de `Dans van de zalige geesten' en een aantal langzame aria`s, deze muziek, van de klaaglijke ouverture tot het aangrijpende `Divinités du Styx', maakt veel indruk.

Ook het zingen van Ann Murray in de zeer veeleisende rol van Alceste en Donald Kaasch als Admète, gebeurt in die bijna rauwe indringende stijl, waarbij pure esthetiek van geen belang meer is en alleen nog maar sprake is van expressie. Het dramatische effect in de karakterisering van de twee hoofdrollen is overtuigend, al blijft echt meeleven uit. De kleinere rollen zijn voortreffelijk bezet door Kristin Sigmundsson (hogepriester), Willard White (Hercules), Paul Whelan (Apollo), Mario Luperi (orakel) en Marcel Reijans (Evandre).

Haenchens couperen in de partituur is extra opmerkelijk, omdat Alceste de legendarische `reformopera' van Gluck is. Hij schrapte elke overbodigheid en gaf de zangers geen gelegenheid meer om naar eigen inzicht te schitteren, maar onderwierp hen aan de wil van de componist. Dat de balletscènes verdwenen, wil niet zeggen dat er geen choreografie in deze voorstelling zit: de beweging en de vaak rituele gestiek van het koor, vormgegeven door Amin Hosseinpour, herinneren op het eerste gezicht even aan de recente Amsterdamse producties van Peter Sellars, maar waren ook al te vinden in Audi's Götterdämmerung.

Waarlijk belangeloze en opofferende liefde bestaat niet in Alceste. Liefde voor de ander is egocentrische bezitsdrang, hoe mooi het ook lijkt als de een tegen de ander zegt: `ik kan niet zonder je leven.' Dat zelfzuchtige bereikt hier een hoogtepunt als Admète zegt dat hij de baas in het gezin is en dat Alceste zich niet zonder zijn toestemming voor hem had mogen opofferen.

Voor Audi is het huwelijk van Alceste en Admète dan ook verre van voorbeeldig. Alceste en Admète leven langs elkaar heen, ook in hun schijnbaar laatste uren. Wat men `normaal' zou verwachten, dat man en vrouw elkaar bij al dit leed in de armen zouden vallen, gebeurt niet. De enige keer dat ze elkaar aankijken is op het moment dat Admète Alceste de ergst verwijten maakt.

De eerste twee actes zijn sterk en indringend. De slotscène heeft iets onbevredigends, dat helaas eigen is aan de opera van Gluck, die het Griekse gegeven wat heeft verchristelijkt. De omslag in de wil van de goden gaat mij veel te gemakkelijk. Tussen Apollo, Hercules en het orakel zou eerst een stevige machtsstrijd moeten plaatsvinden om deze goede afloop te rechtvaardigen. Waarom Admète aanvankelijk moest sterven, blijft bij Gluck in het duister. Dat hij en Alceste mogen blijven leven komt kennelijk alleen omdat het allemaal zo zielig is. Bij Euripides heeft Hercules helemaal geen medelijden, maar wil hij de goden zijn macht bewijzen.

Audi gaat dan ook dwars tegen de opgewekte slotteksten heen en corrigeert de `gelukkige afloop' door Alceste en Admète tijdens de triomfzangen naar achteren te laten lopen, een onbestemde duisternis tegemoet als een soort `levende doden'. Het is het sluitstuk in deze ontluisterende profilering van het ongelukkige echtpaar Admète en Alceste.

Voorstelling: Alceste van C.W. Gluck door de Nederlandse Opera en Ned. Kamerorkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Decoren belichting: Jean Kalman; regie: Pierre Audi. Gezien: 2/10 Muziektheater Amsterdam. Herh.: t/m 26/10.