Expotainment

Een vrolijkmakend zinnetje in een persbericht van het Bonnefantenmuseum. ,,Meer dan ooit is smaak een vorm van communicatie.'' Het is zo'n zin die het altijd goed doet, wat je er ook in zet: ,,Meer dan ooit is liefdadigheid een vorm van amusement'' of ,,Meer dan ooit is motorrijden een vorm van communicatie'' Het is geen mededeling, het is een koekje van woorden, bedoeld om een sfeer op te roepen die diepzinnig is, maar tegelijk hedendaags. Want als je een tentoonstelling aankondigt over het klassieke thema `smaak', dan moet je wel duidelijk maken dat dat een razend actueel onderwerp is. Actueel zoals zaktelefoons en groen punkhaar. Dat is nu eenmaal mijn smaak, zeggen kinderen met zulk haar.

Het Bonnefantenmuseum in Maastricht is bereid om met veel duivels pacten te sluiten, als dat helpt om maar geen museumachtige, bedaagde indruk te maken. Vorig jaar mocht het confectiebedrijf Benetton zichzelf in het zonnetje zetten met een enorme expositie van zijn eigen reclameposters. Deze tentoonstelling is veelzijdiger, en kent vele `participanten'. De hoofdsponsor (een winkelconcern dat moedert over bedrijven als Manfield, Piet Klerkx en Halford's) houdt zich op de achtergrond. Maar de indruk dat de museumbezoeker in de eerste plaats als consument wordt benaderd, blijft.

Niet dat smaak geen prachtig onderwerp is. Op geen ander terrein, behalve misschien godsdienst – o ja, en liefde – zijn mensen tegelijk zo onredelijk en zo stellig. Juist omdat het er niets toe doet wat Pietje Puk vies of lekker vindt, of mooi of lelijk, kan hij zich er vrijelijk druk over maken. In de rijk geworden wereld van vandaag heeft hij bovendien steeds meer keus, en wat hij kiest heet dan deftig zijn smaak. Onophoudelijk zeuren interieuradviseurs, voedselverkopers en plaatjespluggers aan zijn kop dat hij, Puk, pas meetelt in de wereld als hij een hoogstpersoonlijke, eigen smaak heeft. Ze bedoelen: als hij hun spullen koopt, net als al die andere Pukken.

Nu hadden de rijken ook vroeger al de neiging om hun goede smaak te etaleren door het kopen van dingen – schilderijen, paleizen, muziekgezelschappen. Maar tot voor kort hielden de meeste van hen zich aan spelregels en conventies. Men werd geacht te weten hoe het hoorde, en wie de grenzen overschreed, telde niet meer mee. Wat de boel overhoop gooide was de uitvinding van de `persoonlijke expressie'. Niet hoe het hoorde, maar wie iemand wás bepaalde zijn smaak. Wie zich niet aan de regels hield, was ineens geen boerenkinkel meer, maar een interessante persoonlijkheid. Mits voorzien van geld natuurlijk.

Zo denken ze er op de tentoonstelling in Maastricht ook over. Smaak wordt er niet beschouwd als iets waarvan de een meer en de ander minder heeft. Of nog ouderwetser, als iets dat geleerd kan worden, dat kennis van zaken vereist. Integendeel. Zoals museumdirecteur Alexander van Grevenstein het op de persconferentie formuleerde: ,,Smaak is waarschijnlijk het meest democratische discours dat wij kennen.'' Niemand schoot in de lach.

Hoe erg het is om te geloven in een `goede smaak', wordt in het Bonnefanten getoond in een fascinerende zaal met schilderijen die tussen 1880 en 1980 de Prix de Rome hebben gewonnen, de hoogste onderscheiding van de kunstacademie voor jonge artiesten. Het zijn meest stijve, antiekerige schilderijen, waarvan de makers bijna allemaal vergeten zijn – wat hier harteloos tegen ze wordt gebruikt. De museumvoorlichter die ons rondleidde, bekende in deze zaal zelf vooral vertwijfeling te voelen.

Nee, dan de erezaal van Lidewij Edelkoort, iemand die met flair en onverstoorbaar zelfvertrouwen (en zo te zien, onbeperkte middelen) voorspelt wat `de' smaak van de komende jaren zal zijn. Zij vat dat samen onder het motto A taste for life. Haar zaal hangt vol zachtjes klikkende diaprojectoren die beelden op crèmekleurige doeken werpen. Sfeerfoto's van een bos bieten in een aarden pot, van meisjes in vreemde kleren, een vrouw met een brood op haar hoofd, planken, vissen, wat wol. De totaalindruk is even plechtig als nietszeggend, wat trouwens ook geldt voor Edelkoorts teksten. Letterlijk, want de meeste zinnen bevatten geen gezegde. Het zijn meer koekjes van woorden.

We moeten niet zuur doen, lezer, en we geven graag toe dat er voor ieders smaak wel wat bij is, daar in Maastricht. Er staan leuke meubels, de bijna honderd jaar oude `Maschinenmöbel' van Richard Riemerschmidt. Wie wil proeven of ruiken kan terecht in een waterzaal en een rooksalon. Er zijn diverse computers, waaronder een van het Zuivelbureau. Die stelt de bezoeker een heleboel vragen over kaas, waarbij hij ook mag proeven; wie alles heeft ingevuld krijgt als beloning te horen tot welke sekse en leeftijdsgroep hij behoort. Handig, voor als je dat vergeten mocht zijn.

Een verpletterend hedendaagse ruimte heet `het casino van authenticiteit en karaoke'. Er staan lawaaiige speelautomaten, die met steun van een speelhallenexploitant zijn geïnstalleerd door een filosoof genaamd Malcolm McLaren. Zijn boodschap luidt dat de werelden van amusement en cultuur samenvloeien. Een angstig perspectief, tenminste als dit de uitkomst is. Of is het al gebeurd, en is de hele tentoonstelling daarvan het resultaat? Woorden als infotainment en expotainment spoken door mijn hoofd.

Maar de cultuur is taai, althans die van het gedrukte woord. Er is ook een boekwerk over smaak gemaakt, waarin dieper op de zaken wordt ingegaan dan met expotainment mogelijk is. Naast gestamel van Edelkoort en andere sfeervolle teksten staan er artikelen in die niet alleen lezenswaardig zijn, maar ook haaks staan op de boodschap van de tentoonstelling. Dat van Stephen Bayley, design-specialist uit Londen, heet zelfs uitdagend `Een pleidooi voor de goede smaak'. Die Bayley is een invloedrijk man – en laat hij nu degene zijn die het woord voerde bij de officiële opening, vorige week. Nee, alles is nog niet verloren.