De winst van Haider hoeft niet te verbazen

Een veelgehoorde vraag in de aanloop naar de gisteren gehouden verkiezingen was wat de Oostenrijkers eigenlijk willen. Dat is gek, vindt Karin Jušek. Want Oostenrijkers maken daar al jaren geen geheim van: ze willen een regering die problemen oplost.

Sinds 1986, het jaar waarin Kurt Waldheim tot president werd gekozen, heeft Oostenrijk niet meer zo in de internationale belangstelling gestaan als nu. Aangelokt door de gisteren gehouden Kamerverkiezingen en de voorspellingen dat de extreem- rechtse FPÖ van Jörg Haider de op een na grootste partij van Oostenrijk zou kunnen worden, kwamen journalisten uit de hele wereld naar Wenen om de inwoners van de Alpenrepubliek nauwkeurig te bestuderen. ,,Wat bezielt de bevolking van een welvarend land om zich zo massaal tot een racistische Führer-partij te bekennen'', was de meest gestelde vraag. Vreemd genoeg begonnen ook Oostenrijkse commentatoren en wel diegenen die sinds jaren misstanden aan de kaak stellen zich af te vragen ,,wat de mensen nu eigenlijk willen.'' Dat is gek, want de Oostenrijkers willen al jaren hetzelfde en houden dat bepaald niet geheim. Ze willen een regering die problemen oplost en niet op de lange baan schuift omdat de coalitie van sociaal-democraten (SPÖ) en de conservatieven (ÖVP) niet samenwerkt maar elkaars voorstellen blokkeert. Meer sociale rechtvaardigheid – de verschillen in inkomens én sociale voorwaarden zijn extreem groot – staat eveneens hoog op de prioriteitenlijst. Verder willen de Oostenrijkers graag als burgers en niet meer als onderdanen behandeld worden.

Vooral het laatste is geen buitenissige eis maar vooralsnog een utopie. Wie met de Oostenrijkse overheid correspondeert krijgt een schrijven zonder aanhef en groet terug. In een land dat beleefdheid als nationale deugd beschouwt, weigert de overheid burgers als mevrouw of meneer aan te spreken. Vervelender is de onduidelijkheid en de anonimiteit van het apparaat. Drie keer bellen levert drie verschillende instructies op, veel ambtenaren willen zelfs hun naam niet zeggen. Wie in een van de bureaucratische doolhoven verdwaalt, moet niet verbaasd opkijken als hij een deur opent en met een spontaan gebruld ,,Eruit!'' wordt begroet. Pas in 1987 werd – op aandringen van de Europese Commissie voor Mensenrechten – de Unabhängige Verwaltungssenat in het leven geroepen, een instantie waar mensen tegen besluiten en maatregelen van de overheid in beroep kunnen gaan.

Deze besluiten worden zelden volgens objectieve criteria genomen, in de meeste gevallen is de ambtenaar vrij om geheel volgens `eigen inzicht' te beslissen. Dat leidt vaak tot willekeur en geeft de burgers het gevoel van machteloosheid. Zelfs bij hervormingen worden de oude – de afhankelijkheid bevorderende – structuren behouden. Zo is het sinds kort ook in Oostenrijkse scholen mogelijk om met één onvoldoende naar de volgende klas over te gaan – mits de lerarenvergadering akkoord gaat. Het blijft dus raadzaam, te allen tijde braaf je mond te houden, want lastige, opstandige leerlingen hoeven niet op clementie te rekenen. Als de Oostenrijkers van school komen zit de angst er goed in en die begeleidt hen de rest van hun leven. Een zondagskrant gejat? De rechter voelt de behoefte om een precedent te scheppen: dertienhonderd gulden boete, het duizendvoudige van wat de krant had gekost. Dat een straf in verhouding tot het gepleegde misdrijf moet staan, is een in Oostenrijk onbekend beginsel.

Ambtenaren kunnen zich veel veroorloven. Gestraft worden ze alleen als ze Zivilcourage tonen. Dat overkwam de rechter Werner Pipal. Zijn contract als lid van de Unabhängige Verwaltungssenat werd eind augustus niet verlengd. Pipal had ontdekt dat ook de bouwbedrijven die in bezit zijn van de gemeente Wenen zwartwerkers in dienst hadden en maakte daar werk van. Vorig jaar had hij nog een uitstekende beoordeling, dit jaar was hij de enige van de vijf rechters die kon gaan.

Veel Oostenrijkers haten hun staat. Volgens een onderzoek dat in opdracht van de Weense krant Der Standard werd uitgevoerd, zou tweederde van de bevolking naar een andere overheid uitwijken als ze daar de kans toe kreeg. Haider, die beloofde een eind te maken aan de vriendjespolitiek, heeft sinds hij gouverneur van Karinthië is, alle belangrijke functies van topambtenaren tot schooldirecteuren met eigen aanhangers opgevuld. Wie hij niet probleemloos kan vervangen wordt hard aangepakt. Het weekblad Format berichtte over ,,de val van het SPÖ-Kamerlid Anton Leykam.'' Om half acht 's morgens kwamen twee forse mannen Leykams secretaresse halen. Ze werd door Haider verhoord tot ze tenslotte òp van de zenuwen bekende dat ze voor haar afwezige baas twee keer de prikklokkaart had afgestempeld. Haider speelde deze gegevens meteen door aan de pers en nog voor Leykam wist wat hem boven het hoofd hing, stond hij aan de schandpaal. Leykam verdient als Oostenrijks Kamerlid zoveel als een Nederlandse minister. Toch hield hij zijn baan als ambtenaar in Karinthië voor 75 procent aan omdat hij `het geld nodig had'.

Veel Kamerleden zijn ambtenaren die hun oude functie slechts voor een deel of soms helemaal niet vervullen maar wel het salaris opstrijken. In een land dat geen minimum loon kent, waar de verschillen tussen arbeiders en employés groot zijn, leiden dergelijke privileges onherroepelijk tot haat en nijd.

De haat jegens het `hebzuchtige tuig' is zelfs zo groot dat Haiders methodes alleen maar leedvermaak en genoegdoening oproepen. Een van Haiders sterke rollen is die van Robin Hood, wreker van de onderdrukten. Dat herkende ook ex-kanselier Franz Vranitzky die in 1986, nadat Haider via een Putsch FPÖ- partijchef werd, de coalitie met de FPÖ opzegde. Vranitzky zei toen: ,,Het antwoord op Haider is democratisering. Als het ons lukt de oude, verstarde structuren voorzichtig te hervormen en een open maatschappij te creëeren, heeft Haider geen poot meer om op te staan.'' Maar de angst voor verlies van de macht en de halsstarrigheid van de eigen clientèle die niet bereid is privileges op te geven, zorgden ervoor dat alles bleef zoals het was.

Haider kreeg dertien jaar de tijd om zijn greep naar de macht voor te bereiden. Hij heeft echter nooit een doordacht plan voor hervormingen voorgelegd maar beperkte zich tot het aan de kaak stellen van echte of door hem verzonnen misstanden en het aanwakkeren van ressentimenten. Hij besefte snel dat wie geen concepten heeft een zondebok nodig heeft. ,,Ze hebben nieuwe joden gevonden. Wij zijn als groep te klein, een grotere vijand was nodig, dus werden het de buitenlanders'', zei de voorzitter van de joodse gemeenschap, Ariel Muzikant. Haiders waarschuwingen voor de hordes `buitenlanders, die onze sociale voorzieningen misbruiken, onze arbeidsplaatsen inpikken en onze kinderen met drugs vergiftigen' vonden in Oostenrijk een vruchtbare bodem. De door Haider opgewekte emoties waren vertrouwd, rancune en wrok vonden een ideale uitlaatklep.

Bovendien vond Haider in Hans Dichand, de uitgever van de Kronen-Zeitung, een congeniale partner. De Krone wordt door 43 procent van de Oostenrijkers gelezen en haar niet aflatende campagne tegen de `vreemdelingen' werd een groot succes. ,,Wij schrijven alleen wat de mensen graag lezen'', is de stereotiepe verklaring van Dichand. De regeringspartijen hebben Haider en Dichand geen strobreed in de weg gelegd en nooit geprobeerd tegenkrachten te mobiliseren. De SPÖ wilde nog wel eens op de rijdende trein springen als Haiders tegenstanders demonstraties organiseerden maar sinds het aftreden van Franz Vranitzky in 1997 en de komst van nieuwe SPÖ-bewindslieden is zelfs dat afgelopen.

De minister van Binnenlandse Zaken, Karl Schlögl, probeert de FPÖ de wind uit de zeilen te nemen door Haiders eisen stuk voor stuk te vervullen: het immigratiepercentage is tot bijna nul teruggebracht, de behandeling van asielzoekers leidt regelmatig tot protesten van mensenrechtenorganisaties en de politie treedt hard op tegen buitenlanders, vooral tegen zwarten die men graag `Bimbos' noemt. De drugshandel - in Oostenrijk geen groot probleem – is in handen van een Nigeriaans drugskartel en dat heeft ertoe geleid dat de politie elke zwarte als dealer beschouwt.

Kranten maken bijna wekelijks melding van uit de hand gelopen politiegeweld en wie een zwarte te hulp komt, wordt al snel voor niggervriend of niggerhoer uitgemaakt.

Racisme en xenofobie zijn zo vanzelfsprekend geworden dat Theresia Schuhmeister-Schmatral, aanklager en beoogde ÖVP-woordvoerder van Justitie, vorige week bij een persconferentie over haar nieuwe landrover sprak en lachend verklaarde `Ik noem hem Bimbo'. Onverwacht komt dit allemaal niet. ,,Wie Waldheim zaait, zal Haider oogsten'', zei de socioloog Silvio Lehmann in 1986. Het waren wijze woorden.

Karin Jušek is correspondent van NRC Handelsblad in Wenen.