De schittering van een danser

Gelukkig zijn er nog Brazilianen om het voetbal te redden. Altijd weer Brazilianen. Altijd weer jongens uit het land waar voetbal als kunst wordt benaderd, waar voetbal nog niet helemaal is vergrauwd, vergrijsd en verzakelijkt. Gelukkig is er na Garrincha, Didi, Pelé, Rivelino, Romario en Ronaldo weer een Braziliaan om de wereld te tonen dat voetballen meer kan zijn dan op commando eensgezind achter een bal aan draven.

Rivaldo heet hij, geboren als Rivaldo Vitor Borba Ferreira, zoon van Romildo en Marlucia, broer van Ricardo en Rinaldo. Alleen al zijn naam roept fantasieën op van onnavolgbare, opwindende dansen tussen twee voeten en een bal. Lange nachten met natte dromen voor wie de kunst van de voetbalvaardigheid een van de mooiste talenten is die een man kan hebben. Waarom zijn ze er zo weinig, jongens met een naam als Rivaldo? Waarom zijn er steeds meer angstaanjagende bovenmeesters als Louis van Gaal die voetballers als Rivaldo onderwerpen aan de wetten van gehoorzaamheid?

Zou je ze niet, die zelfingenomen, kortzichtige fenomenen als Van Gaal die hardop durven zeggen dat Rivaldo dankzij hun visie zo belangrijk voor het elftal is geworden? Zou je die dommen van geest niet voorgoed uit de stadions verbannen in de hoop dat voetbal weer een mensenspel wordt? Alleen dankzij Rivaldo's emotionele uitbarstingen aan de bal is voetbal nog leuk om naar te kijken. Vooral dankzij de Braziliaan Rivaldo, Figo en Guardiola is het voetbal van Barcelona nog aan te zien – en zelfs succesvol. Alleen dankzij de kwaliteiten van individualisten.

Rivaldo is geen speler die als menig Nederlandse voetballer alleen onder Van Gaal goed kan voetballen – een speler die niet zichzelf durft te zijn. Rivaldo is niet als vroegere Sovjet-ijshockeyers en -voetballers die terug verlangen naar de discipline en het systeem van toen. Rivaldo wil tonen wat hij helemaal alleen kan, helemaal alleen heeft geleerd. Helemaal alleen, op zijn eigen manier is hij de ellende ontvlucht. Voetballen was de enige manier om iets van zijn leven te maken. Door te voetballen is hij nu een rijk man, met een lieve vrouw en twee schatten van kinderen die opgroeien in de weelde van Barcelona en onderwijs mogen genieten op een chique Engelstalige school.

Dat Rivaldo nu pas – op 27-jarige leeftijd – 's werelds beste voetballer is, heeft te maken met zijn bescheiden karakter. Zo brutaal als hij verdedigers de bal tussen de benen door speelt, de bal met zijn goddelijke linkervoet van afstand precies in de bovenhoek van het doel schiet en de bal liefdevol aan zijn borst drukt, zo bescheiden is hij in de omgang. Rivaldo koketteert niet met zijn talent en allerminst met zijn verleden als zoon van arme ouders in de Noord-Braziliaanse stad Paulista. Het verhaal wil dat hij als puber zijn rottende tanden verloor door ondervoeding en op het strand van Recife moest bedelen. Rivaldo zwijgt erover. Het zou een belediging zijn voor zijn vader, die hij als zestienjarige in 1989 verloor toen deze op weg naar zijn werk door een bus werd overreden.

Elke dag liep Rivaldo 25 kilometer om op tijd op de training van zijn eerste club Santa Cruz te zijn. Hij had geen geld voor de bus, maar hij wilde trainen, hij wilde voetballen, hij moest weg uit de armoe. Hij wilde zijn familie helpen door een rijke voetballer te worden. Zoveel als hij hebben veel zogenoemde godenzonen er niet voor hoeven te doen. Dat volk dat al jankt wanneer het gras niet goed is gemaaid. Gelukkig kan nog een speler als Rivaldo gloriëren, een man die zich door alle ellende heen slaat. Schitteren en scoren tegen de verdrukking in.