Apollinaire zocht altijd naar de nieuwste kunst

De 25 jaar die voorafgingen aan de Eerste Wereldoorlog zijn door W.F. Hermans eens de `gelukkigste uit de hele geschiedenis van de Westerse mens' genoemd. In dit tijdvak, dat in 1889 begon met de oprichting van de Eiffeltoren, werden talloze `wonderen kort na elkaar werkelijkheid'. Uitvindingen als telefoon, film, elektrisch licht, auto's en draadloze telegrafie brachten een ongebreideld vooruitgangsgeloof teweeg dat ook zijn weerslag had op de kunst. De vertolker bij uitstek van de artistieke euforie was de Franse dichter en kunstcriticus Guillaume Apollinaire (1880-1918). Maar voor Apollinaire duurde het gelukkige tijdperk lang geen 25 jaar. Eigenlijk begon het pas omstreeks 1906 toen hij de schilderkunst van Matisse en Picasso ontdekte. In de jaren die daarop volgden ontpopte hij zich tot verdediger van het kubisme en aanverwante stromingen en zorgde hij voor een omwenteling in de dichtkunst. In 1917 publiceerde hij zijn bundel Calligrammes waarin gedichten de vorm aannamen van een regenbui, de Eiffeltoren of een auto.

Het is een vreemd idee dat Apollinaire, die vanaf 1907 in vuur en vlam stond voor alles wat nieuw en verrassend was in de kunst, in het najaar van 1906, tijdens een verblijf in Nederland, een bezoek bracht aan Laren. In dit Gooise dorp, dat bevolkt werd door na-apers van schilders als Anton Mauve en Jozef Israëls en waar de geschilderde schaapskuddes en boerenbinnenhuisjes van de lopende band leken te komen, bekeek Apollinaire een expositie van dorps- en heidegezichten. Hoe het hem te moede was bij dit vertoon van kneuterigheid, is helaas niet bekend. Wie weet, werd hij daar in Laren bevangen door de gedachte dat het allemaal anders moest. Het jaar daarop begon hij in diverse Franse kranten en tijdschriften regelmatig over de avant-gardekunst te schrijven.

Zijn kritieken waren vaak niet meer dan korte aantekeningen bij wat hij op een expositie had gezien, maar hij schreef ook amusante beschouwingen waarin hij van journalistiek proza overging op fictie of poëzie. Soms richtte hij zich direct tot een kunstwerk zoals bij een `cylindrisch schilderij' van Léger waartegen hij zei: `Prettig jullie te zien, fraaie tinten, lichte kleuren, en jullie opbruisende vormen.' Hij kon ook fel uithalen, bijvoorbeeld tegen de Franse musea die weigerden om werk van kunstenaars als Picasso, Matisse of Delaunay aan te kopen.

In 1913 bundelde Apollinaire een aantal van zijn `esthetische bespiegelingen' in het boekje Les Peintres cubistes (onder de titel Apollinaire over kunst verscheen in 1997 een Nederlandse vertaling door Jan Pieter van der Sterre). De schilders die hij hierin bespreekt zijn bijna allemaal vertegenwoordigd op een expositie over Apollinaire en de beeldende kunst in kasteel Het Nijenhuis in het Overijsselse Heino. Apollinaire nam het in Les Peintres cubistes niet zo nauw met het begrip kubisme: hij weidt ook uit over schilders als Marie Laurencin of Picabia, die er weinig mee van doen hadden. De expositie in Heino beperkt zich evenmin tot het kubisme. Zo hangen er ook twee vroege werken van Picasso, schilderijen van Chagall en Van Dongen en geestige, bijna surrealistische tekeningen van Picabia, allemaal kunstenaars die op Apollinaire's bijval konden rekenen (al vond hij Van Dongen soms te grof en banaal).

De keuze van de ongeveer 50 werken is niet altijd even overtuigend. Er zijn drie, wat schoolse kubistische doeken van Auguste Herbin over wie Apollinaire bij mijn weten nauwelijks heeft geschreven. Kunstenaars die hij hogelijk bewonderde ontbreken, zoals Duchamp en Mondriaan. In 1913 prees hij Mondriaans `zeer abstracte schilderijen' en zijn `intellectuele gevoeligheid'.

Apollinaire heeft voor veel kunstenaars geposeerd en behalve schilderijen leverde dat – bijna altijd komische – tekeningen op. Van die karikaturen, waar zijn figuur met bolle buik en peervormige kop zich goed toe leende, zijn enkele mooie voorbeelden te zien, ondermeer van Picasso en van Larionov die Apollinaire met zijn eeuwige pijp als een soort Volendammer visser neerzette.

De Eiffeltoren is een steeds terugkerend motief op de tentoonstelling, al of niet in kubistische blokken gehakt. Hij duikt op in een futuristische pastel van Severini en hij figureert ook op twee schilderijen van de schilder Robert Delaunay. Delaunay is een van de schilders wiens werk doorklinkt in Apollinaire's poëzie. Het gedicht De vensters, waarin hij schrijft over een raam dat geopend wordt `als een sinaasappel / de prachtige vrucht van het licht', is geïnspireerd op Delaunay's `venstercomposities'.

De expositie in Heino, die is opgezet als een tweeluik, besteedt ook aandacht aan Apollinaire's literaire werk, aan de `avantgardist van het woord'. Naast eerste drukken en manuscripten van zijn poëtische experimenten zijn enkele anonieme portretten van hem geëxposeerd. Eén daarvan – Apollinaire, schrijvende (1912) lijkt meer op Marcel Duchamp dan op Apollinaire. Zou het geen door Apollinaire getekend portret van Duchamp kunnen zijn? Uit enkele schetsjes van zijn moeder blijkt dat Apollinaire zelf ook geen onverdienstelijk tekenaar was.

Tentoonstelling: Apollinaire, Woordvoerder van de avant-garde - avant-gardist van het woord. Hannema-de Stuers Fundatie, Kasteel Het Nijenhuis, Heino. T/m 7 nov. di.t/m zo. 11-17u.