Als het vernis weg is breekt de zon door

De dertig, vaak enorme schilderijen uit de Oranjezaal van Paleis Huis ten Bosch worden gerestaureerd. ,,We hebben ongelooflijk veel authenticiteit aangetroffen'', zegt restauratrice Anne van Grevenstein.

De hal die is ingericht als restauratieatelier biedt een spectaculaire aanblik. Links en rechts hangen metershoge schilderijen met weelderige taferelen van koene ridders te paard, voluptueuze naakten en mollige engeltjes. Rechts stapt prinses Maria Stuart van een zeilschip, op een doek van Gerard van Honthorst. Links, op de Allegorie op de geboorte van Frederik Hendrik van Caesar van Everdingen, verrijst een wijs kijkende baby uit het schild van de godin Athene, gadegeslagen door de god Mars en de schim van de overleden Willem van Oranje.

De schilderijen komen uit Paleis Huis ten Bosch in Den Haag, het woonpaleis van koningin Beatrix. Ze maken deel uit van een groot restauratieproject van de Oranjezaal. De zaal is in de 17de eeuw gedecoreerd door Noord- en Zuid-Nederlandse classicisten, schilders die zich door de klassieke oudheid lieten inspireren. Ze maakten dertig monumentale doeken. Drie ervan zijn na hun opknapbeurt uitgeleend aan het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen voor de tentoonstelling Hollands Classicisme - het andere gezicht van de Gouden Eeuw. Ook andere musea hebben gebruik gemaakt van het feit dat de doeken, die anders Huis ten Bosch nooit verlaten, nu zijn `losgekoppeld'. Het Noord-Brabants Museum in Den Bosch krijgt vanaf februari Frederik Hendrik als heerser over de zee van Thomas Williboirts Boschaerts in bruikleen voor Meesters van het zuiden, een expositie over barokschilders rondom Rubens en het Rijksmuseum leent vanaf 15 april Van Everdingens allegorie op de geboorte voor de expositie De Glorie van de Gouden Eeuw.

Anne van Grevenstein van de Stichting Restauratie Atelier Limburg, heeft de leiding over het restauratieproject waaraan twintig mensen meewerken: restauratiedeskundigen uit verschillende disciplines, en ook jonge, aankomende restauratoren die hier praktijkervaring kunnen opdoen. Aan de restauratie is grondig historisch en materiaaltechnisch onderzoek voorafgegaan, onder meer door het laboratorium van het Instituut Collectie Nederland. Behalve de schilderingen wordt ook het gebouw zelf onder handen genomen en komt er een betere klimaatregeling. Twee en een half jaar is er nog om het project te voltooien. De opleveringsdatum is juni 2001. Dan verschijnt er ook een uitgebreide publicatie over de restauratie, die op video wordt vastgelegd.

Anne van Grevenstein is getroffen door de `wonderbaarlijk goede, authentieke staat' waarin de schilderijen verkeren. Zelfs de touwtjes waarmee de 17de-eeuwse makers hun linnen aan het raam spanden zijn nog intact, evenals de verstevigde randen van het doek. ,,Dat heb ik in mijn 30-jarige carrière nog maar twee of drie keer meegemaakt,'' zegt ze. ,,We hebben ongelooflijk veel authenticiteit aangetroffen. Achter de schilderijen vonden we een perfect bewaarde 17de-eeuwse muur met schetsen, nummers en aantekeningen in houtskool. Dat was een vorm van informatie die je nergens anders aantreft. Er bleek bijvoorbeeld uit dat sommige schilderijen van plaats veranderd zijn. We wisten al veel uit het grondige archiefonderzoek dat de Rijksgebouwendienst heeft laten doen, maar de bevestiging daarvan konden we alleen ter plekke zien.''

Paleis Huis ten Bosch werd in 1645 gebouwd als zomerverblijf, een `huis in het bos', voor Amalia van Solms en haar echtgenoot, de toenmalige stadhouder prins Frederik Hendrik. Het ontwerp was van de bekende architect Pieter Post. Frederik Hendrik overleed echter in 1647 en Amalia besloot het gebouw een andere bestemming te geven. Geen lusthof, maar een mausoleum zou het worden, ter nagedachtenis van haar man. De schilder en architect Jacob van Campen kreeg de opdracht de Oranjezaal te decoreren. In overleg met Constantijn Huygens, de vroegere secretaris van de stadhouder, trok hij alle bekende Nederlandse classicistische schilders aan, van wie drie uit de zuidelijke Nederlanden. Hun monumentale doeken, samen één grote ode aan Frederik Hendrik, bedekken de muren van de zaal die de vorm heeft van een vierkant `met ingeklapte hoeken' en een houten plafondgewelf. De Vlaamse schilder Jacob Jordaens (Rubens was in 1640 overleden) kreeg de opdracht voor het indrukwekkendste en grootste doek: De Triomf van Prins Frederik Hendrik (7,5 bij 7,5 meter) waarop verscheidene historische figuren staan afgebeeld. Van Campen zelf deed ook mee, onder meer bij de beschildering van het dakgewelf.

Dat de schilderijen zo goed bewaard zijn, is vooral te danken aan het feit dat ze altijd op hun plaats zijn gebleven. Alleen in de Tweede Wereldoorlog zijn ze weggenomen en in een bunker in veiligheid gebracht. Wel heeft de tand des tijds toegeslagen. Het linnen krimpt en zet uit onder invloed van het klimaat, terwijl de verf door oxidatie verhardt. Foto's laten zien dat de verf op sommige plaatsen is gebarsten en kleine `schoteltjes' vormt die dreigen los te laten. Vroegere restauratoren hebben beschadigde delen overgeschilderd waarbij nuances verloren zijn gegaan. De oorspronkelijke heldere kleuren gaan schuil onder een dikke laag glimmende, vergeelde vernis.

Waar een doek is schoongemaakt lijkt de zon door te breken. De vergeelde vernis verbergt stralende kleuren, de bruingele huid van de afgebeelde figuren blijkt ineens romig wit. Een van de restauratoren heeft een procédé ontworpen waarbij voorzichtig een deel van het oude vernis wordt weggehaald en een dun gelijkmatig laagje overblijft. Over de schoongemaakte vernis komt weer een dun laagje nieuwe, matte vernis.

,,Schilderijen hebben vaak meer te lijden van slechte restauratoren dan van de tijd,'' zegt Van Grevenstein. ,,We kennen gelukkig de data van alle ingrepen, maar wat vroegere restauratoren precies gedaan hebben, weten we niet. Gedeeltelijk hebben we dat kunnen reconstueren door het archief- en materiaalonderzoek, maar wat er echt gebeurd is, weten we pas als we de schilderijen nauwkeurig bekijken. De glimmende vernis bijvoorbeeld past niet in de oorspronkelijke opzet. Daarom denken we dat de schilders een halfmatte vernis gebruikten. Het 17de-eeuwse concept ging uit van een illusionistisch geheel, waarin de schilderingen een ensemble vormden. In de 18de en 19de eeuw heeft men de zaal vrij grondig veranderd. Het werd meer een schilderijenkabinet met losse, glimmende schilderijen aan de wand. De natuursteenkleur van de architectonische elementen maakte men paars. De eenheid tussen architectuur en schilderijen was daardoor verloren gegaan. Die eenheid proberen wij weer te herstellen.''