Onbevoegd

Vorige week besteedde ik aandacht aan het verschijnsel dat leraren een sterk verdeelde beroepsgroep vormen. Een leraar die me hierover aansprak, meende dit als volgt te kunnen verklaren. Wij hebben, zo hield hij me voor, de afgelopen jaren heel wat bittere pillen te slikken gekregen. Maar dat niet alleen: het bijzondere was dat dit voor verschillende categorieën leraren telkens heel verschillende pillen waren. De arbeidsvoorwaarden voor part-timers en jonge leraren verslechterden en kwamen schril af te steken tegen die van hun oudere collega's. Dat schept verdeeldheid. Sommige leraren zagen hun beroep veranderd van vakleraar in maatschappelijk begeleider van probleemjongeren. Anderen moesten les gaan geven op een ander niveau dan ze gewend waren en weer anderen zagen hun vak onherkenbaar veranderen. Het ontbreken van gemeenschappelijkheid maakt dat er weinig gedeeld wordt, dat iedereen zijn eigen ongenoegens heeft en van die ongenoegens ook zijn eigen, persoonlijke verhaal breit.

Een aardig voorbeeld van zo'n verhaal gaf de brief van een leraar natuurkunde in de W&O-bijlage van deze krant van vorige week. Daarin fulmineert hij tegen het studiehuis. Dat wordt ingewikkeld, legt hij uit, om te vervolgen met: ``Dat dit passen en meten niet ieders werk is, moge duidelijk zijn. Niettemin besloot de vakbond van het onderwijs gevend personeel, de AOB, dat onbevoegden dit werk ook best kunnen doen en uiteraard is dit idee in volle dankbaarheid door de minister overgenomen. Het gevolg is dat leerlingen zich al snel voor een onmogelijke taak gesteld zien. Zij moeten in de onvermijdelijk ontstane chaos hun weg vinden.' U begrijpt dat de schrijver verwacht dat dit de meeste jongeren niet zal lukken.

Zijn redenering komt er dus op neer dat het lesgeven als gevolg van de invoering van het studiehuis juist ingewikkelder is geworden en dat het om die reden extra vreemd is dat een vakbond zou menen dat je voor dit werk niet bevoegd zou hoeven zijn. Terwijl als gevolg van die andere inrichting van het onderwijs juist behoefte ontstaat aan ook ander personeel. En niet alleen daarom.

In het voortgezet onderwijs moet de komende jaren zowat de helft van de leraren worden vervangen. Gezien de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt kan het niet anders dan dat de sector onderwijs, net zoals in veel andere sectoren gebruikelijk is, zijn eigen kader voor een deel zelf zal moeten gaan opleiden. In het middelbaar beroepsonderwijs zien we dit trouwens al veelvuldig gebeuren. Wat niet wegneemt dat hier wel degelijk het gevaar aan kleeft dat bestuurders er uit financiële overwegingen soms erg gemakkelijk toe overgaan mensen bekwaam te verklaren. Iets wat overigens in het verleden, op landelijk niveau nog wel, ook veelvuldig is gebeurd.

Het onderwijs kan naast ter zake kundige docenten, ook heel wat goede instructeurs en studiebegeleiders gebruiken, juist met het oog op het studiehuis. Talloze leerlingen spoeden zich na schooltijd naar een instituut voor huiswerkbegeleiding. Daar krijgen ze door een student of een anderszins redelijk algemeen ontwikkeld persoon die zich verdiept heeft in de desbetreffende leerstof uitgelegd wat hen op school nooit duidelijk is geworden. Scholen zouden hun licht eens moeten gaan opsteken bij dergelijke instellingen.

Te menen dat de kwaliteit van het onderwijs staat of valt met de aanwezigheid van uitsluitend bevoegde docenten in de school is onzin. Getuige mijn buurjongen, die, gevraagd naar zijn eerste ervaringen op de middelbare school, trots antwoordde voor wiskunde een leraar te hebben die zo geleerd is dat niemand hem kan volgen.