Neus en geschiedenis

The Lexus and the Olive Tree is de titel van een boek geschreven door Thomas Friedman, de reiscolumnist van The New York Times. Lexus is de naam van de auto waarin de grootsten der aarde zitten, de ultiemsten, meestal niet achter het stuur. Wat destijds de Cadillac was, of de Lincoln, en daarvoor de Rolls Royce en heel vroeger de Spyker en de Minerva. De olijfboom, die het oudst kan worden van alles wat leeft, staat voor de traditie, de overlevering, het blijvende. Het boek is interessant, maar een beetje opgewonden geschreven. Je zou het een manifest kunnen noemen, zij het dat het met zijn bijna 400 pagina's voor een manifest wat dik is. In ieder geval heeft het voortdurend de toon van een manifest, het `Opzij, hier komen Wij'. De Wij zijn de kinderen van The Fast World. De computer is hun altaar, de software hun gebedenboek, de planeet waarop alle mensen in het WereldWijdeWeb verbonden zijn is hun heilstaat, en Bill Gates hun profeet. Tot zover het signalement; dit is geen bespreking.

Het eerste hoofdstuk wordt voorafgegaan door een `openingsscène': De Wereld Is Tien Jaar Oud. Het is geen terugblik in de woeste ledigheid van destijds; de schrijver bedoelt de wereld waarin we nu leven. Die is ontstaan in de paar novemberdagen van 1989, toen de Berlijnse Muur omver ging. Dat we toen voor onze ogen de eeuw zagen eindigen, hebben er al meer ontdekt. Niemand had ook maar een flauwe voorstelling van wat er daarna zou komen. En trouwens, niemand dacht erover na. De gebeurtenis kwam te onverwacht, verliep te snel, was te fantastisch en te sensationeel om je al in de toekomst te kunnen verdiepen. Pas later hebben we het beseft: 1989 is het nieuwe jaar Nul. Over een maand wordt dat gevierd. Ik denk dat het Westen zichzelf weer eens hartelijk zal feliciteren.

Intussen is de Muur bijna afgebroken, zo radicaal dat de Berlijners er zelf verrast over waren toen ze het ontdekten. Het stond een paar maanden geleden in Der Spiegel. Grote stukken zijn geëxporteerd, duizenden kleine brokjes als souvenirs verspreid. Ik heb zo'n brokje, met verf van de graffiti, gekregen van Keesings Historisch Archief. Het wordt steeds kostbaarder. Der Spiegel meldde dat er plannen zijn om een meter of twintig te herbouwen. De Muur zelf had al iets absurds. Vlakbij de Brandenburger Tor was aan de kant van het Westen een stellage gebouwd, vrijwel tegenover een wachttoren aan de andere kant. Op het platform kon je met een verrekijker naar een Vopo kijken die door een verrekijker naar jou keek. In een goede replica, de uiterste benadering van de `echtheid', hoort een wachttoren met Vopo en machinegeweer erbij. Maar `echt' wordt het nooit. Een replica van het absurde wordt op een andere manier absurd, en de werkelijkheid van toen raakt verder uit het zicht.

Kwam je via Checkpoint Charley of met de S-Bahn op station Friedrichstrasse uit het Westen in de andere wereld, dan was het alsof je in de oorlog stapte, die van 40-45. Hoe verder je richting Moskou ging, hoe sterker die gewaarwording werd, vooral 's winters. De verveloosheid, die paar auto's op straat, de andere stank van de uitlaatgassen, politieagenten, altijd twee of drie met automatisch geweer over de schouder, de afwezigheid van reclame en de overmaat aan rood in de vlaggen en spandoeken. Je netvlies werd vermoeid van het rood. Maar vooral het aroma, uit de schoorstenen, de uitlaten, de keukens, in de hotels, de bussen, op straat. Via je neus kwam de oorlog terug.

Afgelopen week, ik weet niet meer waar, las ik een achteloos neergepende zinsnede: `de jaren vijftig, die naar spruitjes roken'. Grote vergissing. Bij ons heeft het tussen 1940 en halverwege de jaren vijftig geroken zoals tot 1989 in het Oostblok. Na ongeveer 1955 zijn hier deze geuren door de welvaart weggeblazen. Aan de andere kant zijn ze nog heel lang blijven hangen.

West-Berlijn was de etalage van het Westen, het werd daar steeds voller. Ik kwam met de trein uit Moskou, het zal 1987 of 1988 zijn geweest. Het Sovjet-rijk was al reddeloos aan het inzakken, maar bijna niemand wist dat het zo krakkemikkig was geworden, en degenen die het wel wisten, werden niet geloofd. Het was een mooie zomerdag. Daar stond de Gedächtniskirche met haar verminkte toren als een verkoolde vinger waarschuwend geheven. Daaromheen: een gekkenhuis.Ik herinner me dat ik een grote, zilverkleurige open auto voorbij zag rijden, geen Lexus, waarschijnlijk nog een Cadillac, met aan het stuur een pooierachtige man. Zijn luidsprekers stonden op volle kracht, voldoende decibels voor een stadion. Op de achterbank zat zijn driekoppig personeel. Ik was terug in het Vrije Westen.

Om de val van de Muur en de geboorte van The Fast World goed te kunnen vieren, of herdenken, zou je een evenementenbureau in de arm moeten nemen, om zo'n tegenstelling te scheppen. Maar het zou een herscheppen blijven, virtueel. Na de geschiedenis te hebben genoten, stap je er weer uit. Nooit zul je weten hoe het toen werkelijk heeft geroken.