Marx en Freud krijgen steeds meer gelijk

Aan de vooravond van de eeuwwisseling worden natuur, cultuur en milieu op grote schaal opgeofferd aan de verbreding van geldstromen. Arnold Heertje vreest dat Nederland door extrapolatie van deze economische ontwikkeling onleefbaar wordt. Een omslag is dan ook onvermijdelijk.

Het zicht op mijn eeuw is bepaald door Albert Einstein (1879-1954), Sigmund Freud (1856-1939) en Karl Marx (1818-1883). Drie geniale vorsers die de relativiteit van tijd en ruimte, het onderbewuste van de menselijke psyche en de werking van het kapitalisme hebben blootgelegd.

Als elfjarig jongetje wandelde ik met mijn vader in de zomer van 1945 van de Tugelaweg 122 in Amsterdam-Oost naar de latere boekhandel Laroo in de Linnaeusstraat. De straat als symbool van door mensenhanden geschapen leven lieten wij achter ons. Doordat mijn vader voor mij een inleidend boek kocht over natuurkunde, werd het teken gegeven terug te grijpen op het universele, de draad op te pakken alsof er niets was gebeurd. Een paar jaar later, in 1948, kreeg ik Gordons boek over Einstein als verjaardagscadeau. De grote natuurkundige is sindsdien voor mij de belichaming van het eenvoudige inzicht dat niets zo praktisch is als een goede theorie. Tal van natuurkundige verschijnselen zijn door Einstein voorspeld aan de hand van vergaande abstracties, ontwikkeld en uitgewerkt met alleen potlood en papier. In de jaren dertig is Einstein door de Nazi's uit Duitsland verdreven.

Een vergelijkbaar lot trof Freud, die samen met zijn dochter Anna in 1938 Wenen verliet. De moderne discussie over Freuds werk laat onverlet dat in onze eeuw de invloed van de psycho-analyse op het menselijk gedrag en de zichtbare expressie daarvan enorm is. Alleen al de aanpak van de traumatische ervaringen van miljoenen kinderen sinds de jaren dertig is niet denkbaar zonder het demasqué door Freud. Zijn inzichten vormen ook het uitgangspunt voor het verbeteren van de wereld door het individuele gedrag in positieve zin te beïnvloeden. Misschien was de invloed van Freud op mijn leven en dat van mijn lotgenoten nog wel het grootst door de onbewuste beoefening van de kunst van het verdringen. Hoe hadden wij ons anders in de jaren na 1945 staande moeten houden?

De familie Philips hoort niet graag dat Marx tot de familie behoorde. Daarom schrijf ik nog maar eens op dat Marx' moeder, Henriëtte Presburg, uit Nijmegen komt en dat haar zuster Sophie getrouwd is met Lion Philips, tot 1820 lid van de joodse gemeente in Zaltbommel en overgrootvader van Frits Philips. Zijn kleinzoon heeft bij mij in 1994 het keuzevak marketing gevolgd en daarin een voortreffelijk tentamen afgelegd.

Met de striemende zweepslagen van een diepgaande analyse heeft Karl Marx de werking van het kapitalisme blootgelegd. Tot op de huidige dag is het actueel dat de dynamiek van het kapitalisme, gevoed door technische ontwikkeling en globalisering, scherpe maatschappelijke tegenstellingen oproept. De verdeling wordt in allerlei opzichten schrijnender, naarmate de kapitalistische beweging een hoger toerental bereikt. Marx zag dit haarscherp in.

Daar bleef het echter niet bij. De verlosser van het geketende proletariaat voorzag de ineenstorting van het kapitalisme en het vestigen van de dictatuur van de verpauperde arbeidersmassa. Zijn gedachtegoed is weliswaar in 1917 in Rusland misbruikt om een militaire dictatuur te vestigen, maar die omstandigheid doet geen afbreuk aan de invloed van Marx op het denken over maatschappelijke verhoudingen in onze eeuw.

Nog hoor ik de zware stem van Sam de Wolff (1878-1960), die in het programma Radio-Olympus onder leiding van Dr. C. van Rijsinge zijn marxistische commentaar gaf op de dingen van alledag. Elke zondagavond luisterde ik na het handballen, 's avonds van zeven tot half acht, geboeid naar Garmt Stuiveling, Annie Romein-Verschoor, C. Kleywegt en Sam de Wolff. De laatste combineerde het marxisme met het zionisme, dat in mei 1948 de voor de hele verdere eeuw beslissende impuls kreeg door de stichting van de staat Israel. Met Marx gewapend ging ik in 1951 economie studeren aan de Universiteit van Amsterdam.

In 1951 had Th. Limperg, de grondlegger van de Amsterdamse school in de bedrijfseconomie net de economische faculteit verlaten. Hierdoor ontstond meer ruimte voor de minder dominante, maar echte geleerde Pieter Hennipman (1911-1994) die in 1938 lector werd in de sociale economie. Duizenden leerlingen zijn door zijn colleges en geschriften beïnvloed. Misschien kan zijn denken worden samengevat door de uitspraak dat het ultieme oogmerk van alle economische activiteit niet de ogenschijnlijke kwantitatieve groei is, maar de kwaliteit ervan.

Zo beschouwd zijn de denkbeelden van Hennipman in de loop der jaren alleen maar actueler geworden. De strijd voor behoud van natuur, open ruimte en milieu ontleent haar theoretische voedingsbodem aan de economische analyse van Hennipman. Deze analyse knoopt aan bij het ruime welvaartsbegrip, dat de aanwending van de productiemiddelen verbindt met het bevredigen van de behoeften van de individuen van nu en straks.

Dit eenvoudige uitgangspunt wordt in de praktijk van alledag bij herhaling versluierd door de jacht op financieel rendement, waarbij het bevredigen van behoeften is ingesnoerd tot de calculeerbare werkelijkheid. Een natuurgebied vertegenwoordigt dan als productiefactor een potentiële geldstroom en niet een eindproduct dat in de behoeften van huidige en volgende generaties voorziet aan natuur, ruimte en leefbaarheid. Hennipman zou nu met grote zorg zijn vervuld over de feitelijke allocatie van de productiemiddelen, ook al zou hij als fijnzinnig theoreticus doorgaan met het verklaren daarvan door te verwijzen naar de moeilijkheid voor de burgers om voorkeuren over allocatie buiten de markt om tot uitdrukking te brengen. Hij zou geen bezwaar hebben tegen pogingen kwaliteit te herleiden tot meetbare componenten, mits wordt beseft dat een finale afweging ook het verwerken van het niet-meetbare vergt.

Naast Piet Hennipman is Piet de Wolff (1911) mijn voornaamste leermeester. Al in mei 1953 maakte ik persoonlijk met hem kennis, na een onvoldoende voor het tentamen statistiek. Op 1 oktober 1955 werd ik zijn assistent voor wiskundige economie, econometrie en statistische analyse. De Wolff heeft als directeur van het Bureau voor Statistiek van de Gemeente Amsterdam en later als directeur van het Centraal Planbureau grote betekenis gehad voor een op de empirie gebaseerde, modelmatige analyse van het economisch proces. De huidige maatschappelijke noodzaak niet van gedachten te wisselen over de uitkomsten van modellen in de sfeer van milieu, verkeer en vervoer en infrastructuur, maar deze eerst te herleiden tot onderliggende en uiteenlopende veronderstellingen en daarover het debat aan te gaan, berust op een aan de wis- en natuurkunde ontleende attitude. De Wolff was dan ook een medewerker van Tinbergen, die eveneens deze exacte vakken heeft gestudeerd.

Wie zich de bijdragen van Tinbergen en De Wolff aan de economisch-maatschappelijke discussie voor de geest haalt, ziet niet alleen met lede ogen aan dat steeds minder scholieren wis- en natuurkunde willen studeren, maar ook dat in de nieuwe opzet van het voortgezet onderwijs nauwelijks plaats is voor het combineren van natuurkunde en economie. Wie, zoals ik, grote betekenis toekent aan het door Tinbergen in 1945 opgerichte Centraal Planbureau voor de ondersteuning van het economisch beleid, betreurt het huidige kortzichtige onderwijsbeleid.

Jan Tinbergen (1903-1994) is bepalend geweest voor de beoefening van de economie in Nederland en elders in deze eeuw. Terecht heeft hij in 1969 samen met R. Frisch de Nobelprijs voor economie ontvangen, die toen voor de eerste keer werd uitgereikt. Zijn werk heeft altijd in het teken gestaan van rechtstreekse betrokkenheid bij maatschappelijke vraagstukken en het aanreiken van oplossingen. Baanbrekend was in de jaren dertig van deze eeuw zijn statistisch werk op het gebied van de conjunctuur en de massale werkloosheid. Kenmerkend voor zijn leer is de aandacht voor de verdeling van inkomens en vermogens, die in zijn ogen veelal onrechtvaardig was.

Tegenover de afstandelijke en literair scherpzinnige beoefening van de economie door Hennipman met de nadruk op de optimaliteit van de allocatie, staat de in formules neergelegde geëngageerde analyse van sociaal-economische problemen door Tinbergen met de nadruk op de verdeling in nationaal en internationaal verband. De Nederlandse economen die hun voetstappen hebben liggen in de economische faculteit van de Universiteit van Amsterdam, zijn bevoorrecht doordat zij rechtstreeks en indirect leerlingen zijn van de beide grootmeesters van de Nederlandse economische wetenschap in deze eeuw.

In de tweede helft van mijn eeuw is de economische en politieke discussie vooral bepaald door John Maynard Keynes en Joseph Schumpeter. Beiden zijn in 1883 geboren; Keynes stierf in 1946 en Schumpeter in 1950. Keynes legde in de macro-economie de nadruk op de vraagzijde van het economisch proces. De massale werkloosheid van de jaren dertig berust in zijn ogen op een tekort aan bestedingen door consumenten en ondernemers, zodat de overheid een actief bestedingsbeleid moet voeren om de economie op het peil van volledige werkgelegenheid te houden. Keynes' denkbeelden zijn vooral na de Tweede Wereldoorlog toegepast, ook in Nederland. Zo raakten wij gewend aan een hoog niveau van overheidsbestedingen, oplopende overheidstekorten en een aanzwellende staatsschuld.

In de jaren zeventig deed zich in ons land dan ook de combinatie voor van oplopende prijzen en stagnerende werkloosheid. Het samengaan van inflatie en stagnatie in het economisch leven, werd als stagflatie aangeduid. De Minister van Sociale Zaken in het kabinet-Den Uyl, drs. Jaap Boersma, vroeg om een nieuwe Marx, die het samengaan van inflatie en werkloosheid zou kunnen verklaren. Immers, zo merkte hij op, met de Keynesiaanse recepten, die hij aan de Vrije Universiteit had geleerd kwam hij er niet uit.

Voor de oplossing was echter geen nieuwe Marx nodig. Het toevoegen van enkele bijvoeglijke naamwoorden is voldoende. Mijn generatie is nog opgegroeid met het ontleden van zinnen, een werkwijze die nu in onbruik is geraakt. De theorie van Keynes heeft betrekking op conjuncturele werkloosheid. Dit type werkloosheid gaat niet samen met bestedingsinflatie. Conjuncturele werkloosheid wijst op een laag niveau van bestedingen. Bestedingsinflatie op een hoog niveau van bestedingen ten opzichte van de productiecapaciteit. Structurele werkloosheid, die wortelt in de aanbodzijde van het economisch proces, kan echter heel goed tegelijk voorkomen met kosteninflatie.

Boersma en zijn collegae hadden in de jaren zeventig niet door dat de Nederlandse werkloosheid overwegend structureel was en derhalve berustte op een wanverhouding van productiviteit en lonen, het ontwikkelen en toepassen van arbeidsbesparende technieken en het inflatoire overheidsbeleid. Tegen het einde van de jaren zeventig bestonden in Nederland geen ondernemers meer. Wij waren allemaal ambtenaren geworden, die soms werkten van negen tot vijf en overigens verzekerd waren van de wieg tot het graf door de overheid.

Langzaam maar zeker kwam Schumpeter in beeld. Deze econoom van de aanbodzijde van het economisch proces heeft altijd meer oog gehad dan Keynes voor de betekenis van de ondernemingsactiviteit voor het economisch leven. Zijn micro-economische blik wordt verder verdiept door het onderstrepen van de innovatie van producten en productieprocessen voor de kwantitatieve en kwalitatieve groei van de economie. Het oplossen van de massale structurele werkloosheid werd niet langer verwacht van een overheid, die met steeds grotere financiële problemen kampte, maar van de particuliere investeringen door ondernemers.

Het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers in 1982 luidde het no-nonsense beleid in. Het maken van winst mocht weer, nadat jaren van verliezen de reserves van het bedrijfsleven hadden uitgeput. De verdwenen ondernemers werden in ere hersteld. In de Partij van de Arbeid stonden Max Albrecht, de toenmalige directeur personeelszaken van Hoogovens en ik lange tijd alleen met het verdedigen van de ondernemingsgewijze productie. Nu beweeg ik me al enkele jaren lang betrekkelijk eenzaam op de uiterst linkervleugel van de Partij. Iedereen is ondernemer geworden, dus ook de ambtenaren.

De resultaten van drie kabinetten Lubbers en het eerste paarse kabinet mogen er zijn. De werkloosheid is verdwenen; er dreigt het omgekeerde vraagstuk van een tekort aan kwalitatief hoogwaardige, kennisintensieve arbeidskrachten. De inflatie is vrijwel verdwenen, de lange rente is laag. Het tekort van de overheid slaat dit jaar om in een overschot. De staatsschuld is drastisch omlaag gebracht.

Met de eeuwwisseling in zicht, tekent zich af wat er in Nederland aan schort. De door Marx voorspelde verdelingsproblemen worden met de dag klemmender. Het door Freud geanalyseerde spanningsveld tussen psychische potentie en werkelijkheid tekent zich ook in onze samenleving af. De kwaliteit van groei, werkgelegenheid, zorg en onderwijs blijft achter bij de mogelijkheden door onvoldoende expertise op het terrein van publiek-private constructies. Op grote schaal worden natuur, cultuur en milieu opgeofferd aan de verbreding van geldstromen. Extrapolatie van deze ontwikkeling levert een zo onleefbaar land op, dat een omslag onvermijdelijk is.

We verlaten de eeuw met natuur en arbeid als productiefactoren. In de volgende eeuw zijn natuur en arbeid ook eindproducten, waarvan de waarde niet zozeer door de markt, maar buiten de markt om wordt onderkend.

Prof.dr. A. Heertje is emeritus-hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam.