Leveranciers van de Romeinen

Tweeduizend jaar geleden begon bij Tiel een Bataafse gemeenschap te bloeien. De Bataven weigerden zich cultureel door de Romeinen te laten platwalsen. Ze hielden er een bijzondere grafcultuur op na.

De Tielse bodem heeft een groot Bataafs areaal prijsgegeven. De eerste vondsten in de uitbreidingswijk Passewaaij werden enkele jaren geleden gedaan door lokale amateur-archeologen verenigd in BATO Beoefenaren Archeologie Tiel en Omstreken). In 1994 groeven zij een kleine nederzetting op waar maximaal twee Bataafse huishoudens tegelijk functioneerden. Na een voorstudie door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek het jaar daarop, nam het Archeologisch Instituut van de Vrije Universiteit het project over. Toen bleek ook snel de omvang van de vindplaats.

Het piepkleine dorpje werd aan de zuidoostelijke kant begrensd door een restgeul. Meteen aan de overzijde van de geul begon een vijf hectare groot grafveld. Tussen 50 en 250 na Chr. werden hier naar schatting vijfhonderd mensen begraven. Oostelijk van deze begraafplaats bevonden zich een tweede en een derde nederzetting. Met twaalf gelijktijdig functionerende boerderijen waren die allebei een stuk groter dan de meest westelijke. De drie nederzettingen, bewoond geweest vanaf 50 v.Chr., en het grafveld lagen op de stroomrug van een oude Waalaftakking. In de laat-Romeinse tijd, na 250, vernatte dit gebied. Lastig voor de toenmalige bewoners, maar een zegen voor de archeologie: de overblijfselen blijken bijzonder goed geconserveerd. De opgravingen staan onder supervisie van prof.dr. N. Roymans; de dagelijkse leiding is in handen van drs. E. Verhelst.

Het Nederlandse deel van het Batavenverhaal begon na 54 v.Chr. Julius Caesar roeide de Eburonen nagenoeg uit die onder Ambiorix in opstand waren gekomen. Om de noordelijke flank van het imperium niet onbeschermd te laten gaf Caesar een groep Germanen toestemming zich bezuiden de Nederrijn te vestigen. Waarschijnlijk waren zij in hun eigen gebied (Hessen) in de verdrukking geraakt. In ruil voor deze geste moesten de Bataven manschappen voor de hulptroepen (auxilia) leveren. De bereden vechtjassen stonden bij hun Romeinse broodheren bijzonder hoog aangeschreven. Behoudens in de jaren 69/70 toen zij onder Julius Civilis revolteerden. Maar die rimpel werd snel gladgestreken. Inscripties, gevonden onder meer in Rome, geven aan dat zij daarna gewoon hulptroepen bleven leveren. De Bataven hadden hun eigen civitas, Batavodurum of Oppidum Batavorum. Onderzoek naar de resten in de Nijmeegse bodem wees echter uit dat er weinig Bataafs aan was. Meer een immigrantenstadje aan het front. Er woonden wel Bataven, maar Batavodurum bleek hoofdzakelijk bevolkt te zijn geweest door Romeinse ambtenaren, avonturiers van allerlei slag, kroegbazen en handelaren. Voor een inzicht in het Bataafse leven kunnen archeologen dus beter terecht bij de gemeenschappen op het platteland. En het beste dan, zoals in Tiel, bij nederzettingen in hun kerngebied: het Eiland der Bataven.

mercurius en minerva

De Tielse Batavenfamilies woonden in flinke boerderijen. Het waren gemengde bedrijven met de nadruk op veehouderij. Met name op de fok van runderen en paarden voor de Romeinse afnemer. Het fokprogramma voor die paarden was afgestemd op de wensen van het leger. Daar wilde men graag rijdieren met hogere schoften dan er hier rondliepen. De Romeinse goden Mercurius en Minerva, zij stonden voor welvaart en welzijn, waren onder de Tielse Bataven bijzonder populair. Dat blijkt uit beeldjes die in de boerderijen zijn teruggevonden. Voor het overige is het de vraag in hoeverre de Bataven geromaniseerd raakten. Volgens Roymans en Verhelst lijkt het er meer op dat zij uit het Romeinse culturele `aanbod' zaken oppakten die met hun eigen gedachtewereld verenigbaar waren. De mogelijkheid tot behoud van de eigen gewoonten hing wellicht samen met de speciale status van troepenleverancier die de Bataven voor het imperium hadden; die overheerste de hele Bataafse samenleving. Maar ook op andere plaatsen in het rijk bleek de Romeinse invloed niet altijd als een soort culturele wals te werken.

Een ander punt dat de archeologische gemoederen bezighoudt is het grafritueel. Duidelijke sporen daarvan ontbreken voor de eerste honderd jaar van het bestaan van de nederzettingen, vanaf 50 v.Chr. Mogelijk liggen de graven uit dit tijdvak buiten het onderzochte gebied. Misschien ook liet de dodencultus in die periode geen archeologische sporen na, maar dat ligt niet erg voor de hand. De heersende regel dicteerde voor die tijd lijkverbranding en bijzetting van de crematieresten, al dan niet met bijgiften, in formele grafvelden. Dat gebeurde ook in de begraafplaats die in circa 50 na Chr. in gebruik werd genomen. De doden gingen op een brandstapel, hun as werd verzameld en begraven in houten kistjes of in doeken. Kistjes of doeken zijn niet bewaard gebleven, wel de spijkers van de kistjes en de mantelspelden (fibulae) die de doeken sloten.

Bij het onderzoek van het grafveld stuitte men op allerlei merkwaardigheden. Zo wierpen de Bataven boven het crematiegraf een klein heuveltje op. De grond daarvoor kwam uit een greppel die om het graf heen werd gegraven. Een deel van de greppels is cirkelvormig, een deel rechthoekig. Naar de betekenis daarvan moet worden gegist. Het zou kunnen gaan om verschil van sekse, maar dat valt moeilijk te bewijzen, want analyse van verbrand bot is erg lastig. De bot-analyse heeft al wel aangetoond dat soms ook kippen en delen van runderen en varkens met de dode op de brandstapel terechtkwamen. Men vermoedt dat het hierbij gaat om het idee van leeftocht voor het hiernamaals. Voorts zijn er kuilen in het grafveld aangetroffen, vol etensresten en kapotgeslagen vaatwerk. Roymans interpreteert ze als dumps van rituele dodenmalen; dit gebruik is ook bekend onder niet-westerse samenlevingen.

Eigenaardig ook zijn de inhumaties van mensen, ontdekt in de nederzetting zelf. Ondiep begraven, want sommige skeletten vertonen knaagsporen van honden. Het zou hier kunnen gaan om het ritueel van ontvlezing, voorafgaand aan de crematie. Ook op verbrande botresten zijn sporen aangetroffen van schimmels die na inhumatie optreden, aldus Verhelst. En ten slotte lagen er, ook in de nederzettingen, paarden en runderen begraven. Wegens het belang van deze dieren voor de Bataafse economie houdt Roymans het op rituele bijzettingen. Ongeveer tachtig procent van de begraafplaats is tot nu toe onderzocht en daarbij zijn vierhonderd crematieresten geborgen. Maar het zal nog wel even duren voordat de vragen over het Bataafse dodenbestel definitief zijn beantwoord.