Het pakkende pentagon

Al dertig jaar is de Maastrichtse kunstenaar Gerard Caris in de ban van de regelmatige vijfhoek. Onlangs ontdekte hij een manier om de ruimte te vullen met twee soorten romboëders, lichamen begrensd door zes ruiten. `Dit werk schreeuwt om acceptatie.'

`WETENSCHAP en kunst zijn gelijkwaardig als het er om gaat tot kennis te komen. Kijk naar de resultaten van mijn werk en je proeft een duidelijke overlap. Noodzakelijke wetmatigheid en schoonheid komen er in samen. De kunst moet de wetenschap niet als iets beangstigends van zich afschuiven maar opvatten als een vriend. En de wetenschap moet niet bang zijn voor de intuïtie van de kunstenaar en erkennen dat iemand zonder algebraïsche opleiding ook dingen kan ontdekken. Te gemakkelijk wordt daar neergekeken op mensen die iets màken in plaats van zich louter blind te staren op getallen en op wiskundige stellingen.'

Wie op bezoek gaat bij de Maastrichtse kunstenaar Gerard Caris (74) betreedt een onalledaagse wereld vol vervreemding. Verveloze trappen, kale plankieren, kistjes met boeken en dictaten, te weinig licht, de totale afwezigheid van luxe: het huis ademt de sjofelheid van een studentenpand waar de tijd heeft stil gestaan. Woning en atelier vallen samen. Aan de wanden strakke tekeningen en reliëfstructuren, verspreid door het huis geometrische sculpturen, alles gedomineerd door regelmatige vijfhoeken en dodecaëders, twaalfvlakken die door zulke vijfhoeken (pentagons) worden begrensd. En in dit pakhuis van het vijftallige universum werkt Caris als een bezetene op het grensvlak van kunst en wetenschap.

``Wacht', zegt Caris, ``ik haal een mesje.' Even later peutert hij twee stukken los uit een 32-zijdig lichaam dat is opgebouwd uit identieke ruiten van zwart polystyreen. Het zijn een scherpe en een stompe romboëder, scheve kubussen gemaakt van zes van die ruiten. ``Let op de hoeken', zegt Caris. ``Daar is iets speciaals mee. In de jaren zestig vond de Engelse wiskundige Roger Penrose een manier om het platte vlak te betegelen – zonder dat er ruimte overbleef – met twee typen ruiten waarvan de hoeken een veelvoud van 36 graden waren. Het speciale was dat het patroon zich niet in een bepaalde richting herhaalde, zoals bij tegelpatronen in het Alhambra wel het geval is. Lokaal heeft het een vijfvoudige symmetrie, dus is er een link met het pentagon. Wat ik wilde weten: bestaat zoiets ook voor de driedimensionale ruimte?'

Volgens Martin Gardner, befaamd om zijn vroegere wiskunderubriek in Scientific American, kon dat inderdaad. In zijn boek Penrose Tiles to Trapdoor Ciphers... and the Return of Dr. Matrix (1997) stelde hij zich voor de ruimte compleet te vullen op basis van ruiten met hoeken van 72 en 108 graden. Caris: ``Maar de romboëders die dat oplevert bleken niet te passen, die man had gewoon niet de moeite genomen het met plakken en knippen te controleren. Na veel nadenken en uitproberen kwam ik op het idee een dodecaëder in te passen in een ikosaëder, een regelmatig twintigvlak, en opeens zag ik dat ik niet de ruiten van Penrose moest nemen maar ruiten van 63° 26' en 116° 34'. De stompe en scherpe romboëders die je dan krijgt vullen de ruimte wel netjes op. Dat is bij mijn weten niet eerder vertoond. In mijn sculptuur Polyhedra star stèle-1 heb ik die vondst toegepast. Met dat vormgevingsprincipe kunnen nog generaties voort, I hit on something special.'

De loopbaan van Gerard Caris is al even onalledaags maar er is een duidelijke lijn. Als zoon van een Maastrichtse spoorwegarbeider blonk hij op de lagere school niet uit in rekenen, maar zijn tekeningen hingen als voorbeelden aan de muur. De liefde voor structuren was al vroeg aanwezig. Caris: ``Een gewone kerk deed me niks maar stond hij in de steigers dan kon ik er ademloos naar kijken. Als kind al wilde ik kunstenaar worden maar werd op advies van een familielid naar de ambachtsschool gestuurd om een vak te leren. Vooral projectietekenen boeide me en ik heb van die opleiding later in mijn kunst veel profijt gehad. Maar Maastricht benauwde me en toen na de bevrijding in 1944 op het Vrijthof een bordje stond met `oorlogsvrijwilligers gevraagd' zag ik mijn kans schoon om weg te komen.'

Caris vertrok naar Amerika en zou als marinier naar Japan gaan. Maar voor het zover kon komen viel de bom en was de oorlog voorbij. Hij diende in Indonesië en na terugkeer kon hij voor de Shell naar Nieuw-Guinea in het kader van een proefboring naar olie in de Vogelkop. Caris: ``Ze hadden pioniers nodig om wegen aan te leggen. Ik werkte met Papoea's die nog nooit een westerling hadden gezien. Omdat ik ze ook moest werven als arbeiders, raakte ik sociaal nauw bij ze betrokken en bezocht 's avonds hun extatische feesten. Wat me opviel was dat in de versieringen van hun trommels, of van hun lichamen, geometrische motieven zich telkens herhaalden. Net zo onder de indruk was ik van de schoonheid van de kwartskristallen die we bij het boren naar boven haalden. Dat zoeken naar orde, die koppeling tussen esthetisch genot en noodzakelijke regelmaat: ik werd toen op het spoor gezet en je proeft het nog altijd in mijn kunst.'

Het olieveld in Nieuw-Guinea bleek onrendabel en na een paar jaar soortgelijk werk in Nigeria emigreerde Caris in 1957 naar de Verenigde Staten. In New York vond hij een baan als technisch tekenaar bij het optiekbedrijf E. Leitz. Caris: ``Overdag werkte ik, 's avonds volgde ik op het City College lessen in filosofie, Engels en beeldende kunst. Ik raakte bevriend met een van mijn leraren en samen verkenden we nachtelijk Manhattan – in de Cedar Bar heb ik zo Willem de Kooning en Jackson Pollock ontmoet. Het was de tijd van het abstracte expressionisme. Zelf deed ik ook pogingen iets in die richting te ondernemen maar het paste niet bij me. Omdat er zo'n enorme kracht van uitging was ik bang de weg kwijt te raken als ik me eraan overgaf.'

Nog eenmaal deed Caris mee aan een olieboring, nu voor City Service in Dhofar. Drie jaar gaf hij als petroleumingenieur in de hitte van de woestijn leiding aan Nederlandse roughnecks, lieden die boortorens en pijpen in elkaar zetten. Als de zaak netjes draaide en er weinig te doen viel bekeek Caris door de microscoop kristallen, of verdiepte zich in de kristallografische literatuur die hij had laten overkomen. Vanwege zijn ervaring met continu-projecten werd hij na terugkeer in Amerika door AT&T gevraagd site manager te worden van de eerste Telstar-antenne. Caris: ``De Russen hadden de Spoetnik gelanceerd, er moest een Amerikaans antwoord komen en daarvoor waren grondstations nodig. Op een afgelegen plek in Maine stampten we er als de bliksem een uit de grond, inclusief de 300 ton wegende stalen hoorn-antenne. Ik zie me nog uitgeteld in mijn hotelkamer naar de tv kijken, La Traviata rechtstreeks uit de Scala per satelliet. De volgende dag hoorde ik bij het testen van de Telstar-antenne tikken uit de ruimte, zeer boeiend. Boren in de aarde, boren in de kosmos: het is in wezen hetzelfde.'

Toen in de jaren zestig de flower power-periode aanbrak, wil Caris daar graag hoogte van nemen. Hij neemt al zijn geld op en vertrekt naar Californië, om te stranden in een hotelletje in Monterey. Op Berkeley – de oliewereld heeft Caris inmiddels definitief vaarwel gezegd – begint hij met filosofie en merkt dat hij de beste cijfers haalt voor esthetica. Praktijklessen beeldende kunst volgt hij bij Robert Kitaj en David Hockney. Iedere vrijdag bezoeken ze wetenschappelijke instituten als het Lawrence Livermore-laboratorium. Caris: ``De onderbroken sporen van elementaire deeltjes in een bellenvat vonden hun vertaling in de pop art, in Amerika volgt de kunst de moderne wetenschap op de voet. In Nederland is eerder sprake van een enorme achterstand, nu nog. De opleiding beeldende kunst zou flink moeten worden herzien.'

Al snel krijgt Caris van Kitaj te horen dat hij in zijn tekeningen aldoor aan het construeren is, dat hij een naakttekening opbouwt zoals je een huis bouwt. Caris: ``Kitaj raadde me aan terug te keren naar Nederland, me aan te sluiten bij de traditie van De Stijl en Mondriaan. In Nederland, zei hij, hoor je erbij, terwijl ik in de VS een buitenstaander zou blijven. Zelf kon ik me vinden in die conclusie, constructivistische neigingen waren me niet vreemd. En dus keerde ik in 1969 terug naar Maastricht, vond dit huis en stelde me de vraag: wat zou mijn bijdrage moeten zijn? Toen maakte ik The creation of the pentagon: een straal komt uit het niets, maakt een halve slag, keert terug als een bliksemflits en beneden teken ik een vijfhoek. Dat was het begin.'

De vijfhoek beviel Caris zeer. Hij begon te zoeken naar structuur, naar een voortzetting, naar de regelmaat zonder herhaling die het pentagon in zich heeft. Caris: ``Ik maak lijnen, bouw dodecaëders, begin te stapelen en te schikken, vind in de tussenopeningen andere Platonische lichamen terug. Steeds boeiender werd het. Je zoekt literatuur, raakt in contact met wetenschappers. Ik wilde weten wat het fundamentele onderzoek over geometrische vormen te zeggen had, wat de relatie was met het heelal. Ik wilde kunst, maar had de wetenschap nodig om tot een taal te komen. Dus ging ik langs bij een wiskundige, een kristallograaf, een waarnemingspsycholoog, een natuurkundige. Vooral de ontdekking van de quasi-kristallen in 1984 betekende een extra drijfveer. In een legering van vloeibaar aluminium en mangaan ontstaat bij snelle afkoeling een vreemdsoortig kristal met een vijftallige symmetrie, iets waar de kristallografen geen raad mee wisten. Nog altijd is onduidelijk wat er precies bij het uitkristalliseren van de quasi-kristallen gebeurt. Ik heb in een artikel gelezen over vijftallige symmetrie als resultaat van een projectie vanuit een hogere dimensie. Ben ik weer terug bij de lessen van meneer Bus op de ambachtsschool. De quasi-kristallen stellen de wetenschap voor raadsels. Men ziet orde maar begrijpt hem niet.'

Waardering voor zijn beeldende kunst krijgt Caris vooral in Duitsland – een expositie in het Wilhelm-Hack museum in Ludwigshafen loopt tot 17 oktober. In eigen land krijgt hij bij de Mondriaan Stichting geen poot aan de grond. Zijn constructivistische aanpak zou passé zijn, in de hedendaagse kunst geen enkele rol meer spelen. Wel is zijn werk opgepikt door auteurs van wiskundeboeken voor de middelbare scholier. Caris: ``Ik had in Amerika moeten blijven. Kitaj en Hockney veronderstelden dat de traditie van Mondriaan, die degelijkheid, dat bouwen, die afbakening die je treft zodra je met het vliegtuig aankomt, nog altijd in Nederland aanwezig zouden zijn. Dat is niet zo. Integendeel, het eerste het beste bismuthkristal vormt een mooiere structuur dan de platvloerse vierkantjes op vierkantjes die je overal in dit land op pleinen en in parken aantreft.'

Caris' eenzame reis door de wereld van het pentagon duurt nu dertig jaar. Bij TNO leerde hij omgaan met kunststof, in de Maastrichtse achtertuin verrees een geopende reuzendodekaëder om dat lichaam ook eens van binnen te ervaren – nu mengt hij er giftige stoffen en gebruikt hem als opslagplaats. Er kwamen tafels en stoelen, zelfs een theepot, op basis van de pentagon. Caris: ``Er zit verschrikkelijk veel tijd in de dingen die ik maak. Eerst moet je een geschikt materiaal vinden. Karton bleek te slap en na veel zoeken kwam ik uit op hard polystyreen. Ik kom nauwelijks buiten, onderhoud geen sociaal leven. Ik heb niets dan de verbetenheid waarmee ik werk. Als je dan op iets bijzonders stuit, romboëders die de hele ruimte vullen, geeft dat voldoening. Dit werk schreeuwt om acceptatie.'

Op 22 oktober spreekt Gerard Caris op het symposium `Kunst, wetenschap en techniek', georganiseerd door de faculteit Cultuurwetenschappen van de Universiteit Maastricht. Inlichtingen: 020 6827192.