Gezellige causerie

Ileen Montijn: Over de Tijd. Uitgeverij Contact. ƒ12,50. Uitgave in het kader van de Wetenschap- & Techniekweek, 9 t/m 17 oktober, die dit jaar `tijd' als thema heeft. Meer informatie over deze week: tel. 030 2727.300 of www.weten.nl

In 1834 hakten ijverige werklieden de sierlijke bladornamenten in de Grote Kerk in Den Haag weg. Die versiersels waren toch maar stofnesten, vond het kerkbestuur. En dat hek bij de preekstoel kon ook wel bij het brandhout. In de omgang met het verleden is inmiddels veel veranderd, vertelt de historica en schrijfster Ileen Montijn in haar `persoonlijk essay' Over de tijd, dat in een grote en goedkope uitgave wordt verspreid ter gelegenheid van de Wetenschap- & Techniekweek 1999 (9 t/m 17 oktober).

Het essay bevat wel meer aardige weetjes en observaties. Zo beschikt de mens bijvoorbeeld over een scherp gevoel voor verouderingsverschijnselen: een immens mentaal prentenboek. Montijn: ``Hoe houten deurknoppen slijten, hoe verf uitdroogt en barst, al dat soort dingen heeft iedereen uit waarneming geleerd, zonder zich er precies van bewust te zijn. Een risico bij de restauratie van kunstwerken is dat objecten voor bezoekers niet meer te herkennen zijn aan de hand van dat mentale prentenboek, omdat er iets mee is gebeurd dat met gewone voorwerpen nooit gebeurt.'

Montijn heeft een gezellige causerie geschreven, een monoloog over van alles en nog wat, die niettemin de indruk van een conversatie wekt. De eeuwigheid, Hegels Zeitgeist, liefde, voorspellingen, het geheugen, feestdagen, verveling, veroudering, en hé, daar zijn de 100 bladzijden van Over de tijd al weer voorbij. Dat mag een prestatie van schrijfkunst heten, zeker wanneer de samenhang tussen de verschillende onderwerpen gering is. Ja, alles heeft wel op de een of andere manier met tijd te maken.

Maar hoe knap ook, het wekt wel bevreemding dat dit retorische kunststukje wordt uitgegeven als begeleidend schrijven bij de Wetenschap- en Techniekweek. Misschien is gedacht: `We pakken het eens cultureel aan, leuk!' Maar wat mij betreft is die opzet mislukt. Een belangrijk kenmerk van wetenschap is nu eenmaal `precisie'. In deze context zijn daarom allerlei slordigheden en vergissingen veel storender dan in zo'n `persoonlijk essay' normaal zou zijn. In een literair tijdschrift zou het helemaal niet opvallen. Vrij stom is dan ook dat de typering `persoonlijk essay' volkomen ontbreekt op de flap van de uitgave. Alleen in het persbericht is die term terug te vinden. Wie dus tijdens de wetenschapsweek een enigszins systematisch en helder overzicht van de huidige en vroegere opvattingen en kennis over tijd denkt te kopen, komt met deze causerie nogal bedrogen uit. Niks over de beroemde opvattingen van Augustinus over tijd, niets over Kant, niets over nanosecondes, niets over het psychologische effect dat je bij ingespannen werk de tijd `lijkt te vergeten', en ook niets steekhoudends over de relativiteitstheorie.

De relativiteitstheorie leert ons helemaal niet zozeer dat `elk punt in de ruimte zijn eigen tijd heeft', zoals Montijn op pagina 7 beweert. Het pre-Einstein-idee van gelijktijdigheid verdwijnt alleen als punten ten opzichte van elkaar bewegen. Verder zijn `de bewegingen in ons zonnestelsel' helemaal niet `de meest stabiele, voorspelbare veranderingen in de wereld om ons heen' (pag. 15). Die allerstabielsten bevinden zich juist op veel grotere afstand (pulsars) of veel dichterbij (kristallen). Verder is het misschien wel romantisch om te schrijven dat `niets dat leeft (...) om de wetmatigheid van groei, bloei en verval heen (kan)' (pag. 16), maar strikt genomen is het niet juist. Want een bacterie kent dankzij zijn delingen eigenlijk geen verval en sterft ook niet.

In feite leidt Montijns conversatietoon in wetenschappelijke context tot een vrijwel onbedwingbare neiging tot tegenspreken. Nee, Casanova is helemáál niet de geschiedenis ingegaan als `opschepper en zondaar' (pag. 26), die typering geldt eerder Mozarts operaheld Don Giovanni. Casanova staat nog altijd vooral bekend als een groot minnaar en elegante levenskunstenaar. En het is al helemaal niet waar dat `er in een middeleeuws dorp maar één klok (was), die van de kerk of het kasteel' (pag. 50). Er was helemaal geen klok in zo'n dorp. Pas in de 14de en 15de eeuw verschenen in de meest geavanceerde steden in Italië en Vlaanderen klokken, niet in dorpen.

En hoe jammer het ook is voor de conversatie, als je eenmaal dit soort slordigheden bemerkt, ga je steeds scherper op de kleinste dingen letten. Dus helaas, in de tachtigste stelling in de Syllabus Errorum schrijft paus Pius IX helemaal niet dat er geen vooruitgang bestaat op aarde (pag. 33). De tachtigste dwaling betreft slechts de gedachte dat de paus van Rome zich zou moeten verzoenen met `vooruitgang, liberalisme en moderne beschaving'. Een subtiel maar cruciaal verschil. En monniken in benedictijner kloosters hoefden helemaal geen zware arbeid te verrichten, zoals Montijn op bladzijde 60 beweert. Die kloosters hadden juist enorme landerijen met horigen om voor hen te werken. En wat betekent het eigenlijk dat sommige plantensoorten tegenwoordig met kunstzaad worden vermenigvuldigd (pag. 66)?

De wetenschapsweek, met zijn vele gastvrije open dagen en evenementen, is een belangrijk middel om het brede publiek kennis te laten maken met het wetenschappelijk bedrijf. Maar het bijbehorende boekje, hoe manmoedig Montijn zich ook door de opdracht heeft heengeslagen, is dat niet.

Hendrik Spiering