Dat nemen wij mee

Wat zijn de eigenaardigheden die Nederlanders Nederlands maken? Het bloemetje voor bezoek? Spaarzegels of schoolmelk? Pindakaas of prakken? Een vademecum voor het land van met de deur in huis vallen en doei maar weer.

Nummertje

Sinds de jaren zestig heeft seks zich in Nederland ontwikkeld tot een gezellige vorm van uit je bol gaan. De activiteit waarover kort geleden alleen in de meest omzichtige termen kon worden gesproken, wordt nu laconiek aangeduid als `een nummertje', `effe een wippie maken' of `van bil gaan'. Iedereen moet vooral doen waar hij zin in heeft. Zelfs seks met kinderen werd in Nederland enige tijd met welwillende onverschilligheid tegemoetgetreden, met als gevolg dat Nederland snel uitgroeide tot internationaal knooppunt in de distributie van kinderporno. Om nog eens te benadrukken hoe doodgewoon seks wel niet is, wordt er vaak in verkleinwoordjes over gesproken. Een niet-geplande zwangerschap is een ongelukje, vreemdgaan een slippertje, we maken een nummertje bij een hoertje op de Walletjes. Als je op het taalgebruik afgaat, lijkt het wel of Nederlanders lijden aan een complex dat alles wat met seks te maken heeft, klein is.

Met de deur in huis vallen

Terwijl het vertellen van slecht nieuws bij andere volken vaak omstandig wordt ingeleid, brengen Nederlanders het zonder veel inleidende bespiegelingen meteen ter sprake, dan zijn ze ervan af. Ze beginnen zo'n gesprek vaak met: `Laat ik maar met de deur in huis vallen.' In de ogen van buitenlanders, zeker als ze afkomstig zijn uit mediterrane of Aziatische culturen, getuigt dat van een bijna raadselachtige botheid. In Nederland kan het niet anders. Want wie na een gesprek van een uur te horen krijgt dat hij de baan niet krijgt, dat ie kan fluiten naar loonsverhoging of ontslagen zal worden, is hoogst verontwaardigd over al dat voorafgaande vriendelijke gekeuvel. De bezorger van het slechte nieuws zal onmiddellijk worden toegebeten: `Zit ik hier mijn tijd te verdoen, had je dat niet meteen kunnen zeggen.' Waarna deze bij een volgende gelegenheid dus maar weer met de deur in huis valt. (zie: doei)

Kaasschaaf

Dunschiller. Kaasschaaf. Flessenlikker. Wat hoort er in dit rijtje niet thuis? Juist, de kaasschaaf, want dat is in tegenstelling tot wat elke Nederlandse kaasboer beweert, een Noorse uitvinding. In 1925 ontwikkelde Thor Bj⊘rkland in Lillehammer een osteh⊘velen ofwel kaasschaaf. Het bleek een gouden greep, want de schaaf verspreidde zich razendsnel over Scandinavië en Noord-Europa. Wel onmiskenbaar Nederlands is de `kaasschaafmethode': zó bezuinigen dat iedere afdeling van de club een gelijk deel moet ophoesten. Ook hier geldt: hoe dunner de plakjes, hoe meer voldoening.

Huiskamer

De huiskamer was in Nederland iets dat de `woonkamer' nooit zal kunnen worden. De huiskamer was het onvoorwaardelijk middelpunt van het gezinsleven. Midden in die kamer prijkte de eettafel, met daarboven de mooiste en grootste lamp van het huis. Daar hebben die onvertaalbare Nederlandse woorden `huiselijk' en `gezellig' hun ware betekenis gekregen. Met de komst van de televisie ging de tafel aan de kant, werd het bankstel binnengesleept en begon iedereen plotseling over `woonkamer' te spreken, alsof er een hogere vorm van huiselijke beschaving was bereikt. In werkelijkheid verloor het Nederlandse huis zijn middelpunt en werden de bewoners over alle uithoeken van de woning verstrooid, waar ieder op zoek moest naar zijn eigen leven. Huiskamers tref je tegenwoordig in een enkel geval nog aan als naam van een kroeg en als voorziening in de drugshulpverlening. Een Huiskamer biedt heroïneprostituees of harddrugsverslaafden de mogelijkheid om even bij te komen van hun bestaan in de barre buitenwereld. Een functie die de huiskamer vroeger voor iedereen vervulde.

Helden

Heldendom maakt Nederlanders wantrouwend. Waarom moet iemand zich zo uitsloven? Wil hij soms beter zijn dan de rest? Wie toevallig iets heldhaftigs doet, weet dan ook niet hoe gauw hij dat moet relativeren: `Iedereen zou in mijn plaats hetzelfde hebben gedaan.'

In ons nationale verleden zijn de helden niet dik gezaaid. De historicus P.W. Klein kreeg van Franse studenten eens de vraag waar Nederland zijn helden ter aarde bestelt. `Wij hebben geen Pantheon,' antwoordde hij. `Wij hebben geen helden. Onze grootste admiraals noemen we gemoedelijk `Bestevaer'.' Nu is het heldendom, als je de Nederlandse geschiedenisboekjes bekijkt, ook niet echt aantrekkelijk. Heel wat Hollandse helden maken achteraf een wat levensmoede indruk. Neem Jan van Schaffelaar, Gelders huursoldaat in dienst van de Utrechtse bisschop. In 1482 sprong hij van de door de Amersfoorters belegerde toren van Barneveld om lijfsbehoud voor zijn manschappen te verkrijgen. Dan had je Jan van Speijk, die in 1831 tijdens de strijd tegen de opstandige Belgen met zijn kanonneerboot voor Antwerpen lag. Toen zijn schip in handen van de vijand dreigde te vallen, stak hij de lont in het kruitvat, uitroepend: `Dan liever de lucht in!' Ook Karel Doorman, die in 1942 met de woorden `All ships follow me' de Slag in de Javazee tegemoetging, wist wat hem te wachten stond. Toch heeft P.W. Klein ongelijk. Nederlanders hebben wel degelijk echte helden, alleen moeten we die niet zoeken in het krijgsbedrijf. En we aanbidden ze in stilte, want onze bewondering is gemengd met jaloezie en aangelengd met schaamte. Onze helden zijn degenen die eigenwijs dorsten te zijn, die niet langs de kant bleven staan, vertrouwend op overleg en wachtend op consensus. Hollandse helden tonen het spiegelbeeld van die gezapige, gekoesterde eigenschappen van ons. Met hun activisme appelleren ze aan onze geheime gewenste identiteit. Neem bijvoorbeeld Oldenbarnevelt, die eenzaam en koppig sneuvelde voor een vrijzinnig en verdraagzaam staatsbestel waarvan we nu nog de vruchten plukken. Of Gerrit van der Veen, exemplarisch verzetsman in de Tweede Wereldoorlog. Maar ook Joes Kloppenburg en Meindert Tjoelker. In 1998 omschreef vvd-Kamerlid Nicolaï hen als `verzetshelden' van deze tijd. Hij werd niet tegengesproken, hij had gelijk.

Glasbakken

Nederlanders zijn wereldkampioen gft-bak vullen, glasbakgooien en hergebruik van glas. Al die bakken appelleren aan een diepgewortelde Hollandse behoefte: sorteren, ordenen, de werkelijkheid in stukken hakken en keurig soort bij soort opbergen. Meedoen aan gescheiden huisvuilinzameling komt ook tegemoet aan twee andere beginselen die in ons land hoog genoteerd staan: het hóéft niet en het kost niks. Er zijn altijd geruchten geweest dat de vuilnisophalers, eenmaal uit het zicht van de brave burgers verdwenen, alle verschillende soorten vullis weer bij elkaar kieperen. Voor het enthousiasme waarmee Nederlanders meewerken aan gescheiden huisvuilinzameling, maakt dat niets uit: het gaat niet om het resultaat maar om de goede bedoeling. Vroeger waren Nederlanders er goed in om op zondag de Here te dienen, terwijl de rest van de week heel andere regels golden. Nu kruipen wij, nadat we vol milieu-idealisme papier, plastic, kleding, batterijen, klein chemisch afval, groenteafval en vier kleuren glas in de daarvoor bestemde bakken hebben gedeponeerd, achter het stuur om onze dagelijkse bijdrage te leveren aan verkeersopstopping en luchtverontreiniging.

Doei

Nederlanders blinken niet uit in hartelijkheid en strijkages. Buitenlanders verbazen zich steevast over onze gewoonte om `meteen maar terzake te komen'. Vroeger was dat niet zo'n probleem, maar nu persoonlijke contacten en emoties steeds belangrijker worden voor je `netwerk' en je cv, zien ook Nederlanders het belang in van warmte in de conversatie. Alleen, hoe doe je dat eigenlijk? Velen zoeken naar goed Nederlands gebruik een voorlopige oplossing in een `tweesporenbeleid'. Het gesprek blijft zakelijk, maar aan het slot wordt de broodnodige emotie in één klap bijgeleverd. De Nederlander haalt diep adem, laat zijn stem dalen en brengt een `doei', 'doe-oeg' of 'dahhag' ten gehore van een welhaast verzengende warmte en intensiteit. De groet wordt zo lang mogelijk aangehouden, om duidelijk te maken dat het moment van afscheid pijn doet, heel veel pijn. In andere talen ligt de klemtoon stevig op de laatste lettergreep van de afscheidsgroet: adieu, adiós en goodbye. Dat geeft het afscheid een zekere vastbeslotenheid, zoals het een afsluiting betaamt. In Nederland is eerder sprake van afscheidsvervaging. Nederlandse conversaties sterven niet, they just fade away. (zie: met de deur in huis vallen)

Dat neem ik mee

Een Nederlandse hoogwaardigheidsbekleder die met harde kritiek wordt geconfronteerd, blijft doorgaans de redelijkheid zelve. Hij knikt beleefd en zegt met gefronst voorhoofd: `Dat neem ik mee.' Waarheen? Dat weet niemand.

Bloemetje

Tot verbazing van buitenlanders nemen Nederlanders bij de minste geringste aanleiding een bloemetje mee. Vooral het idee dat je iets `doods' geeft, vinden ze vreemd. Maar een levende plant schept verplichtingen, je zadelt de ontvanger met een zorg op die hij misschien helemaal niet wil. Nederlanders `zeggen het' liever met bloemen, en slagen er wonderwel in om die boodschap over de grenzen uit te dragen. Zeventig procent van de in de wereld verkochte bloemen komt uit Nederland. Een van onze grootste propagandisten daarbij is paus Johannes Paulus II. Ieder jaar spreekt hij op paasochtend de zegen Urbi et Orbi uit vanaf een met witte en gele chrysanten versierd balkon. Sinds 1985 verzorgen de Nederlandse bloemenpromotiebureaus de aankleding, en steevast beloont de paus hen daarvoor met een welgemeend: `En bedaankt vor die moie bloe-oeme uit Hooland.' Deze gratis paascommercial wordt bekeken door honderden miljoenen tv-kijkers over de hele wereld. Intussen maakt de paus school onder het episcopaat. Bij zijn aankomst te Amsterdam in 1998 sprak ook Sint-Nicolaas, toen een meisje hem een bos bloemen aanbood, met zwaar Spaans accent: `Daank joe vorr die moooie bloehoeme!'

Achter de geraniums

Achter de geraniums' is wel de laatste plaats waar een Nederlander terecht wil komen. Het is een hedendaags verbanningsoord, waar je heen wordt gestuurd wegens ontslag, arbeidsongeschiktheid, ouderdom of een andere handicap. Achter de geraniums heerst ledigheid, des duivels oorkussen. Volgens de Portugese Nederlander Rentes de Carvalho kunnen Hollanders het niet verdragen niets te doen. `Tijd verliezen is voor hen, behalve zonde, het bewijs van slapheid.' Een verblijf achter de geraniums is daarom een schrikbeeld dat een Nederlander zijn ergste vijand niet toewenst. Toch telt Nederland ruim een miljoen mensen met een uitkering, die genoodzaakt zijn zich `achter de geraniums' te vermaken.

Pindakaas

Nederland is het tweede pindakaasland ter wereld, en: er is geen derde! Alleen in Amerika houden ze ook van het smeuïge goedje. Daar is peanutbutter eind vorige eeuw uitgevonden als krachtvoer voor zieke kinderen en mensen die niet meer konden kauwen. Eind jaren veertig kwam de Nederlandse variant onder de naam `pindakaas' op de markt. Wel is er een groot verschil tussen Amerikaanse en Nederlandse pindakaas. De Amerikaanse is veel zoeter en flauwer, zodat er zelfs peanutbutter icecream van kan worden gemaakt. Bovendien hebben veel Amerikanen de gewoonte pindakaas met jam te eten. Deze combinatie is zelfs in één pot verkrijgbaar. Nederlanders houden daarentegen van pittige, eerlijke pindakaas, zonder toevoeging van suiker, olie en geharde vetten. De meest `Nederlandse' pindakaas is te krijgen in Suriname, toch nog een derde pindakaasland. Pepre pindakasi wordt gemaakt van de pure pinda – die ter plaatse groeit – waaraan niet veel anders is toegevoegd dan pepers.

Zes uur eten

Introductieboekjes voor buitenlanders wijzen er steevast op: rond de klok van zes uur eten Nederlanders hun aardappels en willen ze niet worden gestoord. Mocht u dan onverhoopt aanwezig zijn of langskomen, reken er dan vooral niet op dat u kunt blijven eten. Sterker, als u niet weggaat, worden Nederlanders zenuwachtig. Opmerkelijk is dat deze instelling de verandering van gesloten kerngezin naar meer individuele en flexibele huishoudensvormen met groot gemak heeft overleefd. Ga maar eens om zes uur bij vrienden op bezoek; ze zullen je met grote, paniekerige ogen aankijken. Er is immers geen afspraak gemaakt? Volgens de Nepalese antropoloog Rajendra Pradhan zijn Nederlanders wel gesteld op gezelligheid, en ook vrijgevig, maar in veel mindere mate gastvrij. Wie geld of geschenken geeft hoeft zijn privé-sfeer niet open te stellen, wie een ander uitnodigt om te komen eten of te komen logeren, doet dat wel. Geven is één ding, delen een ander. Een door het dagblad Trouw gehouden onderzoek naar het `geefgedrag' van Nederlanders bevestigde deze indrukken. Gastvrijheid in Nederland is vooral een zaak voor intieme vrienden en familie. Maar ook voor familieleden is het niet vanzelfsprekend dat ze mee-eten, constateerde Pradhan. Zelfs boeren die bij hun kinderen inwonen, eten afzonderlijk. Warm eten is in Nederland iets heel intiems, concludeerde hij, bijna zoiets als seks.

Verworven rechten

Het kostbaarste bezit van Nederlandse werknemers boven de 45 zijn hun `verworven rechten'. Wie daaraan durft te tornen, wordt onmiddellijk voor de rechter gesleept. Ieder jaar een salarisschaal hoger in het `loongebouw', zo is het in de cao geregeld, en wie onverhoopt een promotie misloopt, staat meteen bij de vakbond op de stoep. Het idee om een stapje terug te doen is onbespreekbaar. Sinds een jaar of twintig duikt in Nederland regelmatig een discussie op over `demotie' – de gedachte dat oudere werknemers wellicht beter in de luwte dan in het front van hun arbeidsorganisatie tot hun recht zouden komen. Vrijblijvend daarover filosoferen met de babyboom-generatie wil nog wel lukken, maar zo gauw het consequenties heeft voor individuen en inkomens, komt het neer op vloeken in de kerk. Intussen ondertekenen deze gevestigden wel de flexibele arbeidscontracten van een nieuwe generatie, waarin de mogelijkheden om het paradijs van de verworven rechten te bereiken tot een minimum zijn teruggebracht.

Verjaarskalender

Een Nederlandse wc is pas compleet als er een verjaarskalender hangt. Dat is handig, want zo krijgt zelfs het wc-bezoek nog iets efficiënts: kostbare minuten die anders verloren waren gegaan, worden zo toch nog benut. Sowieso functioneren de muren van de wc voor Nederlanders in toenemende mate als een persoonlijk plakboek. De Turkse cabaretière Nilgün Yerli herinnert zich nog heel goed dat haar moeder bij de buren een foto van zichzelf op het toilet aantrof. `Ze kwam verschrikt naar huis en zei tegen mijn vader: `Het is zo erg, onze buurman en buurvrouw kijken naar mij als ze hun behoefte doen...'' Haar buurvrouw legde het later uit: op de wc zat je toch maar een beetje voor je uit te staren, dus was het een goed moment om alles wat je zag in je op te nemen. Maar echt leuk vindt Nilgüns moeder het nog steeds niet, en ook Nilgün zelf blijft het een vreemde gewoonte vinden. Wel kijkt ze altijd stiekem even of ze wel op de verjaarskalender staat, en als dat niet zo is voelt ze zich `een beetje beledigd'. Als dat geen integratie is!

Spaarzegels

Spaarzin is een tweede natuur van Nederlanders. De detailhandel in Nederland is er groot mee geworden. De koek- en beschuitfabrikant Verkade begon al in 1906 met het uitbrengen van natuuralbums. Kopers van koeken en beschuit vonden in de verpakking plaatjes die in de albums geplakt moesten worden. Het werd een ware rage en in totaal verspreidde Verkade in dertig jaar 362 miljoen plaatjes. Koffieproducent Douwe Egberts bood zijn afnemers vanaf 1924 de mogelijkheid om via spaarpunten voor speciale geschenken te sparen en is er nooit meer mee opgehouden. Ruim zeventig procent van de Nederlandse huishoudens spaart nu de waardepunten van Douwe Egberts. Na de Tweede Wereldoorlog stegen cadeautjeshonger en spaardrift naar ongekende hoogten. Wie voldoende zegels verzamelde, doppen spaarde, merknamen losscheurde of punten uitknipte, kon een hele uitzet aanschaffen: serviesgoed, theelepeltjes, handdoeken en theedoeken. Met behulp van Albert-Heijnzegeltjes kon je begin jaren zestig zelfs een heuse koelkast aanschaffen. Bijna 200.000 Nederlandse huishoudens zijn op die manier in het bezit van hun eerste koelkast gekomen. De Nederlandse spaardrift is eeuwig en steeds opnieuw verzinnen detailhandelaren nieuwe manieren om de klanten aan zich te binden. Spaarde men vroeger om iets nuttigs te verwerven, nu koopt men extra om meer Airmiles te vergaren. De omstandigheden zijn in de twintigste eeuw totaal veranderd, behoefte is luxe geworden, maar de oerdrift is dezelfde gebleven.

Schoolmelk

Geen overheid heeft zijn burgers zoveel melk laten drinken als de Nederlandse. Dat komt door het unieke systeem van schoolmelk, dat in 1934 werd ingevoerd, nadat onderzoek had aangetoond dat kinderen die elke dag ten minste een halve liter melk dronken aanmerkelijk groter en zwaarder werden. Sindsdien konden kinderen op school een kwart liter melk krijgen, gesubsidieerd door het rijk. In 1970 beleefde de schoolmelk zijn hoogtepunt, toen 700.000 kinderen dagelijks hun flesje naar binnen werkten. Tegenwoordig krijgt nog een kwart miljoen basisschoolleerlingen schoolmelk, wat neerkomt op één op de vier kinderen. De overheid geeft nog steeds subsidie, waarvoor welbeschouwd geen reden meer bestaat, want de voeding is in Nederland zo goed dat extra melk niet meer nodig is.

Prakken

Ondanks de culinaire vernieuwing van de laatste decennia zijn Nederlanders nog steeds prakvirtuozen. Eenmaal op het bord beland, ondergaan ook de meest exquise voortbrengselen van de Franse, Italiaanse of Thaise cuisine maar al te vaak het lot dat `aardappelen en groenten' in Nederland zo vertrouwd is. Ze worden in het gunstigste geval gehusseld, in het slechtste geprakt. Hieruit blijkt dat de Nederlandse stamppottraditie niet alleen wortelt in de noodzaak van stevige winterkost als boerenkool, hutspot en hete bliksem. Onze hussel- en prakcultuur weerspiegelt onze diepe behoefte aan nivellering en `gewoon doen', aan eensgezindheid en consensus. Ook als we met z'n allen een standpunt moeten innemen, zijn we tot husselen geneigd. Voor afwijkende, opvallende meningen is geen plaats. We husselen net zo lang tot er een eenheidspot uit de bus komt, en wie zich niet wil laten prakken wordt met een vies gezicht naar de rand van het bord geschoven.

Postbus 51

Vroeger kreeg iedere Nederlander vanaf de kansel te verstaan wat wel en niet hoorde, en wie bij die gelegenheden niet goed had opgelet werd rechtstreeks aangesproken door geestelijken en voorlieden van de betere stand. Maar met het verlopen van de verzuiling verschrompelde ook de infrastructuur van de morele distributie. De overheid moest die rol overnemen. Maar hoe? Zij beschikte niet over bezielde missionarissen, en evenmin over locaties waar haar onderdanen regelmatig bijeenkwamen om zich de les te laten lezen. Gelukkig kwam net in die periode de televisie op, en daar creëerde de Nederlandse overheid haar eigen katheder: Postbus 51. Sinds 1968 dient dit `informatieloket' van het rijk ons bijna dagelijks van advies over respect voor `medelanders', meisjes die nee zeggen en nee bedoelen, veilig rijen en veilig vrijen, maar ook `duurzaam klussen' en `verwijdering wit- en bruingoed'. Noem een probleem en de Postbus heeft zijn zegje erover gedaan. Zijn al die acties van de Postbus een blijk van uitdijende overheidsbemoeienis? Volgens de cultuursocioloog Kees Paling is eerder het omgekeerde het geval. De `terugtredende overheid' wordt door de Tweede Kamer nog steeds aangesproken op haar verantwoordelijkheid voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Maar macht heeft de rijksoverheid niet meer, die heeft ze uit handen gegeven aan lagere overheden, zelfstandige bestuursorganen en zelfregulerende bedrijfssectoren. Door een voorlichtingsactie op poten te zetten kan een minister toch de indruk wekken dat hij nog iets uitvoert. Paling bedacht hiervoor de term `Postbus 51-regeren'. Het probleem is echter dat Nederlanders geen behoefte meer hebben aan een belerende instantie, ze maken zelf wel uit hoe het moet. Postbus 51 is daardoor een dankbaar mikpunt van spot geworden. Toch hoor je nooit iemand zeggen dat het instituut maar moet worden opgeheven. Want diep in ons hart horen we graag wat anderen allemaal fout kunnen doen. Dan weten we weer hoe keurig beschaafd we zelf zijn. Postbus 51 moet dus blijven. Niet voor ons, maar voor de anderen.

Planning

Geen enkele Europese samenleving is zozeer verslingerd aan ruimtelijke en maatschappelijke planning als een way of life als de Nederlandse, schreef de Amerikaanse Holland-watcher William Shetter in zijn boek The Netherlands in Perspective. Ook Ernest Zahn brengt, in zijn Regenten, rebellen en reformatoren, ons `geloof in de maakbaarheid van de samenleving' naar voren, waarbij wij putten uit `een eeuwenoude traditie, opgedaan bij het maken van het landschap'. Hoe ver deze traditie is doorgevoerd, blijkt bijvoorbeeld uit een berekening die het Provinciaal Opbouworgaan Noord-Brabant in 1970 maakte van de `ruimteclaims' per inwoner. Iedere buurtbewoner heeft recht op 6 tot 12 m² `blokgroen' binnen een loopafstand van 100 meter. Binnen een afstand van 400 meter moet hij `buurtgroen' aantreffen, binnen 800 meter `wijkgroen' en binnen 1.600 meter `stadsgroen'. In totaal heeft de stadsbewoner recht op 75 m² groen binnen een straal van drie kilometer. Dat voor het realiseren van deze gedachtegang halve steden tegen de vlakte moesten, deed er rond 1970 minder toe. Toch is het beeld van de nuchtere Hollander, altijd op zoek naar planmatige oplossingen, niet van alle tijden. Sinds de jaren zeventig, toen de babyboomgeneratie het roer overnam, is sturend en restrictief overheidsingrijpen in een slecht blaadje komen te staan. De ordening van het maatschappelijk leven lijkt ons de laatste decennia niet meer zo makkelijk af te gaan. Zeker, Nederlanders halen nog steeds de internationale voorpagina's vanwege hun uitzonderlijke verrichtingen op het gebied van planning. Maar het is niet meer de overheid die daarbij de aandacht trekt. Het zijn de Nederlanders zelf. Zij plannen hun carrière, hun kinderen, hun gezondheid, zelfs het tijdstip van hun eigen dood.

Deze week verschijnt bij Uitgeverij Contact het boek `Typisch Nederlands. Vademecum van de Nederlandse identiteit' van Herman Vuijsje en Jos van der Lans, ƒ29,90.