criminaliteit

Het is verheugend dat biologisch onderzoek naar misdaad uit het verdomhoekje komt en dat het sterk gepolariseerde klimaat van de jaren `70 langzaam verdwijnt (W&O, 18 september).

Raine heeft gelijk wanneer hij zegt dat `biologisch onderzoek ook troost kan bieden aan de ouders: het ligt niet altijd aan de opvoeding!' Het gevaar echter dreigt dat men van een sociologisch reductionisme (sociale factoren als enige oorzaak) in een genetisch reductionisme (genen als enige oorzaak) verzeild raakt. De aangeboren afwijkingen in de hersenen en de persoonlijkheids-, neurologische en andere lichamelijke afwijkingen die gepaard gaan met crimineel gedrag zijn inderdaad zó overtuigend, dat zij niet langer genegeerd kunnen worden. Vergelijkingen met agressieve `hondenrassen' echter, wijzen op een genetisch determinisme dat niet minder bedreigend is voor ouders en familieleden van een gedragsgestoord kind.

Leeftijd van de moeder bij de geboorte van kinderen met misdadig gedrag, en bijzonderheden in de sociale- en familiestructuur, en vooral de niet te miskennen associatie met (geslachts)-chromosomale afwijkingen, wijzen op een andere mogelijkheid, met name, een niet-optimale bevruchting. Het gesignaleerde verband in het Kopenhaagse onderzoek met ongewenste zwangerschappen (én geboortecomplicaties) en de gesignaleerde oververtegenwoordiging van delinquenten in rooms-katholieke bevolkingsgroepen, zoals hier te lande gesignaleerd door G. Kempe (1965) en in Engeland door T. Tanner, sj. (1980) hoeven niet te berusten op sociaal-religieuze verschillen in opvoeding. In deze bevolkingsgroepen was familiegrootte sterk gelieerd met gevorderde leeftijd van de moeder en vooral met het veel langer in zwang blijven van onbetrouwbare anticonceptie. Dit verklaart dan ook mede de oververtegenwoordiging van misdadig gedrag in lagere sociaal-economische groepen.

Fins onderzoek heeft bovendien aangetoond dat delinquentie significant frequenter voorkomt bij kinderen van rokende moeders, en dit onafhankelijk van sociaal-economische status. Nicotine of sigaretten bij ratten stellen het moment van de ovulatie uit en rooksters hebben meer klachten over menstruele cyclusverstoringen, langere wachttijd op zwangerschap, verminderde vruchtbaarheid, meer miskramen, doodgeboorten, wiegedood en kinderen met aangeboren defecten en psychomotore stoornissen.

Kinderen met emotionele stoornissen en individuen met crimineel gedrag én/of psychiatrische afwijkingen, zoals schizofrenie en manisch-depressieve psychosen, blijken veel meer in bepaalde maanden te zijn geboren dan kan worden verwacht. Deze reeds in 1938 door Huntington waargenomen toename van winter- en zomergeboorten is tot in den treure bevestigd, ook in Nederland. Deze associatie is in verband gebracht met de overgangen tussen de elkaar afwisselende vruchtbare en onvruchtbare seizoenen bij de mens, de zogenoemde latente `bronstperioden'.

Deze relaties met crimineel gedrag én psychiatrische stoornissen kunnen moeilijk op genetische wijze worden verklaard (en nog minder op sociale gronden). Zij wijzen eerder op een causaal verband met niet-optimale rijping van de eicel bij de bevruchting, zoals overduidelijk blijkt uit experimenteel onderzoek bij dieren en observaties bij de mens. Niet-optimale bevruchting leidt tot niet-optimale inplanting van de vrucht en velerlei complicaties tijdens zwangerschap en geboorte. Gedragsstoornissen zijn in principe niet het resultaat van opvoeding en al evenmin van minder goede genen. Zij vormen vele facetten van de geschonden mens en moeten aldus benaderd worden. Maar ook hier geldt, dat voorkomen beter is dan genezen. Voorkomen ligt ook binnen het bereik van betere voorlichting inzake voortplantingshygiëne.