Beleggen zonder fiscale sausjes

Staatssecretaris Vermeend probeert met de voorgestelde belastingwetgeving alle fiscaal gestuurde belastingproducten te ontmoedigen. Beleggen wordt eenvoudiger: het gaat weer over risico en rendement.

Belastingbesparing zal een minder grote rol gaan spelen bij de keuze van beleggingen als de voorgestelde belastinghervorming ongeschonden door het parlement komt. De afweging bij de keuze van de beleggingen zal na invoering van het nieuwe belastingsysteem weer over risico en rendement gaan. Dit zal de eenvoud ten goede komen.

Anders dan onder het huidige belastingsysteem worden inkomsten uit arbeid of winst en inkomsten uit vermogen niet langer bij elkaar opgeteld en vervolgens progressief belast. Staatssecretaris Vermeend beoogt hiermee in één klap alle fiscaal gestuurde beleggingsproducten te ontmoedigen.

Het nieuwe systeem bestaat uit drie inkomensboxen. In box 1 worden inkomsten uit arbeid, winst, pensioen of periodieke uitkeringen en het eigen huis belast tegen tarieven die afhankelijk van de hoogte van het inkomen tussen 32 en 52 procent bedragen. In box 2 worden de voordelen uit aanmerkelijk belang belast; het tarief wordt verhoogd van 25 naar 30 procent. In box 3 wordt aan het overige vermogen, ongeacht het werkelijke rendement, een forfaitair rendement van 4 procent toegerekend en vervolgens wordt daarover 30 procent belasting geheven. De totale belastingdruk over vermogen wordt dus 1,2 procent. De huidige vermogensbelasting van 7 gulden over iedere 1.000 gulden vermogen, afgezien van de vrijstellingen, verdwijnt. De vermogensrendementsheffing in box 3 geldt, na een vrijstelling van 37.500 gulden per persoon, voor alle vermogensonderdelen behalve het eerste eigen huis en de pensioenvoorziening. De forfaitaire heffing van 4 procent over het vermogen betekent dat als het uitgekeerde rendement hoger is, toch slechts het forfaitaire percentage belast wordt; het omgekeerde geldt echter evenzeer.

Opzetjes waarbij van de voordelen van het huidige belastingstelsel in combinatie met het nieuwe stelsel gebruik gemaakt wordt, worden bij voorbaat onmogelijk gemaakt. Dit houdt in dat het geen zin heeft rente of dividenden op te potten en pas na de invoering van het nieuwe systeem uit te laten keren. Wie bijvoorbeeld de rente over het jaar 2000 laat uitkeren in 2001 moet ook in 2001 progressief belasting betalen over de opgepotte rente uit het jaar 2000. Ook het opsparen van dividenden tot na de ingang van het nieuwe systeem wordt bestreden. Tot en met 2005 wordt over zogenaamde excessieve dividenduitkeringen 20 procent belasting geheven bij de uitkerende vennootschap. De staatssecretaris heeft een dividenduitkering in één keer van meer dan tweemaal het gemiddelde dividend vanaf 1996 als excessief gedefinieerd.

Door de overgangsmaatregel voor de de dividenduitkering kunnen beleggingsfondsen, die geen uitkeringen doen, in principe omgezet worden in beleggingsfondsen die dividend uitkeren zonder de extra heffing van 20 procent belasting, mits de uitkering geleidelijk plaats vindt en niet binnen de definitie van excessieve dividenduitkering valt.

Veel fraaie beleggingsconstructies die ontworpen waren om belasting te besparen worden onaantrekkelijk. Het voordeel van vermogensgroeifondsen zal onder het nieuwe systeem in een nadeel omslaan. Groeifondsen maken gebruik van het feit dat de heffing onder de vennootschap (het fonds) valt en daarmee 35 procent bedraagt en niet bij de belastingplichtige onder het marginale tarief van de inkomstenbelasting dat oploopt tot 60 procent; groeifondsen keren geen dividend uit en de winst kan in de vorm van de onbelaste koerswinst verzilverd worden. In het nieuwe systeem valt de waarde van de participaties in de vermogensgroeifondsen onder de rendementsheffing in box 3 van 1,2 procent. Obligatiefondsen die rechtstreeks uitkeren aan de belegger worden dan veel aantrekkelijker dan fondsen die eerst 35 procent vennootschapsbelasting verschuldigd zijn.

Na de invoering van het nieuwe belastingsysteem wordt het aantrekkelijk een zo hoog mogelijk inkomen uit de beleggingen te verkrijgen; dit inkomen blijft onbelast. Uiteraard blijft het risico van de belegging die het vermogen zelf kan aantasten een belangrijke beslissing bij het beleggen.

De dividendbelasting blijft bestaan. Dit is een bronheffing van 25 procent, die ingehouden wordt door de uitkerende instantie. De belastingbetaler mag deze voorheffing ook na 2001 met de inkomstenbelasting uit box 1 blijven verrekenen.

Als de huidige belastingplannen voor het jaar 2001 doorgaan, worden ook nog andere, nu populaire producten onaantrekkelijk. Dit geldt bijvoorbeeld voor aandelenleaseplannen. Dit soort producten, waarbij voornamelijk met geleend geld aandelen en of opties gekocht worden, veelal tegen inhouding van de dividenden, profiteren van de aftrekbare rente. Hieraan is zelfs onder de huidige wetgeving al paal en perk gesteld. Aftrek van vooruit betaalde rente is niet meer mogelijk. Andere rente dan de hypotheekrente voor het eigen huis, is reeds nu al als consumptieve rente beperkt aftrekbaar ( 5.202 gulden per persoon en voor gehuwden het dubbele bedrag). Deze aftrek van de zogenaamde consumptieve rente verdwijnt geheel. Als deze fiscale faciliteiten verdwenen zijn, zijn aandelenleaeseplannen niet meer dan beleggen met geleend geld, waarvan de rente niet langer aftrekbaar is. Vele aandelenleaseplannen hebben een looptijd die deze gedeeltelijk onder de werking van het nieuwe belastingregime zal brengen. Dit weerhoudt sommige aanbieders er niet van met paginagrote advertenties toch nog nieuwe deelnemers te lokken.

Groenfondsen en fondsen die leningen verstrekken aan startende ondernemers worden volgens de voorstellen van de rendementsheffing in box 3 vrijgesteld. Vrijstelling over de waarde van kapitaalverzekeringen blijft alleen nog gelden wanneer deze aan de hypotheek voor het eigen eerste huis zijn gekoppeld en dienen om de hypothecaire lening af te lossen. De overgangsregeling voor bestaande kapitaalverzekeringen geeft de mogelijkheid deze verzekeringen tot uiterlijk twee jaar na de invoering van de nieuwe wet aan een hypotheek te koppelen. Alle overige kapitaalverzekeringen vallen onder de rendementsheffing met als enige uitzonderingen verzekeringen die uitsluitend uitkeren bij invaliditeit, ongevallen, ziekte en overlijden.

Reclameboodschappen op de televisie waarin de kijker wordt aangeraden te kiezen voor kapitaalverzekeringen van een paar gulden per dag en hem wordt voorgespiegeld dat hij weinig belasting zal betalen en een hoog rendement zal ontvangen hebben na 2001 geen zin meer. Mensen die er primair op uit zijn belasting te besparen vormen een dankbare prooi voor aanbieders, die er in ieder geval zelf niet slechter van worden. Onder de huidige belastingwetgeving gelden de belastingvoordelen alleen voor kapitaalverzekeringen met een looptijd van ten minste vijftien jaar.

Onder het nieuwe regime vallen kapitaalverzekeringen, met uitzondering van de aan de aflossing van de hypotheek gekoppelde, onder de rendementsheffing in box 3.

Ook de aftrek van de lijfrentepremie wordt aan banden gelegd. De algemene basisaftrek (in 1999: 6.075 gulden per persoon en in sommige gevallen het dubbele bedrag voor gehuwden) vervalt. De aftrek van de premie van een lijfrenteverzekering blijft slechts mogelijk als de belastingbetaler kan aantonen dat er een substantieel pensioentekort is.

Het voordeel van de nieuwe wet is de eenvoud, mits deze zonder al te veel aanpassingen door het parlement geaccepteerd wordt. Beleggers en spaarders die nu al beleggen in beleggings- of spaarproducten die zonder fiscale sausjes op rendement gericht zijn, gaan er na de invoering van de nieuwe wet op vooruit.

Hoe groot de vooruitgang is hangt af van het werkelijke rendement dat op de beleggingen behaald wordt en van de hoogte van de vermogensbelasting in het verleden.