Begripsvervuiling is slecht voor elk debat

Deelnemers aan het debat over het nieuwe Belastingplan verschillen van mening over de vraag of het draagkrachtbeginsel al dan niet is verlaten. Wat wel duidelijk is, is dat de voorgestelde rendementsheffing niet moet worden geassocieerd met draagkracht, meent Sijbren Cnossen.

Verschillende hoogleraren hebben zich de afgelopen weken uitgelaten over de vraag of de door het kabinet voorgestelde rendementsheffing nog recht doet aan het draagkrachtbeginsel. Het is de bedoeling vermogensinkomsten forfaitair te gaan bepalen op 4 procent van de waarde van het vermogen en het zo berekende bedrag vervolgens te belasten tegen een proportioneel tarief van 30 procent. De werkelijke vermogensinkomsten zijn niet langer relevant. Per saldo bedraagt de heffing derhalve 1,2 procent van de waarde van het netto vermogen. Omdat alleen privé-belegggingsvermogen in aanmerking wordt genomen, is in wezen sprake van een partiële vermogensbelasting. Sommigen zijn van oordeel dat het draagkrachtbeginsel aldus wordt verlaten. Anderen menen dat staatssecretaris Vermeend van Financiën slechts een andere invulling aan de draagkrachtgedachte geeft en weer anderen zeggen dat draagkracht in de nieuwe opzet nog steeds centraal staat.

Het is van belang twee dimensies van het draagkrachtbeginsel te onderscheiden. In de eerste plaats is dat het gelijkheidsbeginsel. Economisch gelijke posities dienen fiscaal gelijk te worden behandeld. Iemand die 100 gulden vermogenswinst geniet dient in principe niet anders te worden belast dan iemand die eenzelfde bedrag aan loon verdient. Dit beginsel (ook wel horizontale gelijkheid genoemd) stoelt op de algemene, diep in het rechtsbewustzijn verankerde, rechtsregel dat iedereen gelijk is voor de wet. Om het beginsel te kunnen toepassen is een maatstaf van fiscale gelijkheid nodig. De economische posities van belastingplichtigen moeten onder één noemer worden gebracht. In het algemeen wordt inkomen (in plaats van consumptie of vermogen) als de meest geëigende noemer gezien.

In de tweede plaats is van belang dat economisch ongelijke posities fiscaal ongelijk worden behandeld, de zogeheten verticale gelijkheid. Volgens dit criterium heeft een lager welvaartsniveau in termen van inkomen, sociaal een hogere prioriteit dan een hoger niveau. Het lagere welvaartsniveau moet om die reden relatief minder zwaar worden belast. Dat kan door middel van onbelaste voeten of heffingskortingen en tarieven die oplopen met het inkomen. Het percentage van het inkomen dat wordt belast stijgt dan met de omvang van dat inkomen (progressiviteit). De mate van progressie is voornamelijk een kwestie van politieke voorkeur en niet van wetenschappelijke analyse. Noch de leer van het evenredig nutsoffer, noch het postulaat van de verdelende rechtvaardigheid hebben een wetenschappelijk gefundeerde theorie over progressie kunnen ontwikkelen.

De begrippen progressie en draagkracht worden in Nederland veelal nauw verwant zoal niet synoniem geacht. Ten onrechte. Progressie is slechts één element van draagkracht, gelijkheid is minstens zo belangrijk. Beide elementen zijn verschillende, zij het onscheidbare, dimensies van draagkracht. Het ene element heeft geen prioriteit ten opzichte van het andere. Niettemin kan de ongelijke behandeling van het ongelijke (het tarief) pas plaatshebben nadat het gelijke gelijk behandeld is geworden (het inkomensbegrip). Met andere woorden: nadat de verschillende economische posities onder één noemer zijn gebracht. Het draagkrachtbeginsel kan alleen toepassing vinden in relatie tot een zoveel mogelijk alomvattende (synthetische), voor iedereen gelijke, en eenduidige maatstaf van heffing die op persoonlijk niveau wordt toegepast.

Zo bezien is de rendementsheffing geenszins een belasting naar draagkracht. Zij is geen belasting naar het inkomen. De maatstaf van heffing van iemand die vermogensinkomsten geniet, verschilt in de voorgestelde regeling van die van iemand anders die loon verdient. In het ene geval wordt vermogen belast, in het andere geval is dat inkomen.

Zo worden appels met peren vergeleken. Om deze posities wel onder één noemer te kunnen brengen dienen vermogensinkomsten èn -winsten te worden belast. Reeds in dat opzicht deugt de rendementsheffing niet. Behalve incompleet, is deze ook allesbehalve progressief. Wie 8 procent rendement met zijn vermogen behaalt, betaalt maar 15 procent belasting. Wie daarentegen, bijvoorbeeld als verpachter, slechts 1 procent opbrengst met zijn vermogen weet te genereren, ziet zich geconfronteerd met een tarief van 120 procent.

De conclusie liegt er niet om. De rendementsheffing past niet in een belasting die wordt geheven naar het inkomen. Zij is geen vlees en geen vis. Daar komt nog bij dat het effectieve tarief van de voorgestelde heffing niet progressief is, noch – in tegenstelling tot wat wordt gesuggereerd - proportioneel, maar zelfs degressief. Naarmate het rendement op vermogen hoger is, daalt het tarief. Het staat iedereen vrij om voor een `inkomstenbelasting' met een degressief tarief te zijn, maar de voorgestelde heffing met draagkracht associëren is een vorm van begripsvervuiling die de helderheid van het debat niet ten goede komt.

Prof.dr. S. Cnossen is hoogleraar fiscale economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.