We moeten de goden uitnodigen

De Italiaanse schrijver Roberto Calasso is gefascineerd door Griekse en Indiase mythen. ,,Zelfs mensen die geloven dat ze niets met mythe te maken hebben, komen in aanraking met die laag van het bestaan.''

,,Ik denk dat u uw artikel moet beginnen met te benadrukken dat mythen enorm fascinerende verhalen zijn. Dat is heel belangrijk. Als ze dat niet waren zouden ze niet zo'n indruk op ons gemaakt hebben.'' Roberto Calasso (1941), schrijver van onder meer twee dikke boeken vol mythen, kijkt me indringend aan vanachter het bureau op zijn directeurskamer bij de Milanese uitgeverij Adelphi. Er kan geen enkele twijfel aan bestaan dat hij het meent. Wie een uitgeverij met een indrukwekkend mooi fonds leidt, heeft het gewoonlijk al druk genoeg. Wie daarnaast kans ziet om zelf goede literatuur te schrijven, is gedreven. Wie dan ook nog kans ziet om boeken te schrijven waarvoor een aan het ongelooflijke grenzende belezenheid en een diepgaande kennis van de Griekse en de Indiase wereld vereist zijn, boeken die een lezer met opwinding en enthousiasme vervullen, moet wel begeesterd zijn geraakt door de oude verhalen. Die moet wel weten wat zich aan de lezer ook onweerstaanbaar opdringt: dat de mythen niet weg te denken zijn uit onze wereld.

,,Het zijn misschien de mooiste verhalen die er bestaan. Ik begrijp eigenlijk niet hoe iemand er niet door gefascineerd kan zijn'', zegt hij. ,,De mythen zijn onze cultuur, vooral de Griekse mythen, maar de Indiase ook. Zoveel mensen in eeuwen geschiedenis zijn er door geboeid geweest. Het westen heeft de Grieken nooit verbeterd.'' En het westen heeft India al helemaal nooit verbeterd, als je Calasso mag geloven. ,,Ik vind de Indiase verhalen zo uitdagend en ook zo grappig. Het was voor mij volkomen natuurlijk om van de ene naar de andere kant te gaan, van Griekenland naar India.'' En inderdaad, als hij praat, wipt Calasso gemakkelijk over van de Eleusische mysteriën naar de Upanishad, van de atman, het Zelf, naar Freud en zijn gebruik van de mythe, van Zeus naar de Indiase oergod Prajapati. Hij heeft `zijn weg gevonden in het Sanskriet' zoals hij het zelf zegt, hij is opgegroeid in Rome, `waar je de klassieke wereld om je heen voelt', maar hij voelt zich `paradoxaal genoeg' het meest thuis in India.

Voor de lezer is het allemaal wat minder vanzelfsprekend. Die kreeg in 1991 zomaar ineens de Nederlandse vertaling van De bruiloft van Cadmus en Harmonia (1988) onder de neus, waarin de Griekse goden en helden ten tonele worden gevoerd. Achterop stond een citaat van de schrijver: ,,De mythe is een verhaal. De enige manier om dieper door te dringen in de wereld van de mythe is de verhalen van begin tot eind opnieuw te vertellen.'' Dat is ook precies wat Calasso in dat boek doet. Hoewel – `van begin tot eind' is eigenlijk niet waar. Hij vertelt nooit iets van begin tot eind. Als je zijn boeken leest, lijkt het wel of zoiets als `begin' of `eind' voor hem niet zo ontzaglijk veel betekenis heeft. Alles begint steeds opnieuw, ook het begin is al opnieuw begonnen. En een eind, ach. Mythen hebben geen eind, mythen hebben varianten, die zijn `de bloedsomloop van de mythe'. Varianten zijn mogelijkheden tot interpretatie, en daarvan krijgt Calasso niet alleen nooit genoeg, hij vindt eigenlijk dat lezen een verplichting is tot het zoeken van interpretaties.

Labyrintisch

Ook als uitgever lijkt Calasso van de lezers te verwachten dat ze zich moeite geven. Een tekst in de aanbiedingsfolder van Adelphi begint als volgt: ,,Polyfoon, dicht, labyrintisch, Tuo è il regno is een van die zeldzame romans...'' etc. Polyfoon. Dicht. Labyrintisch. Welke uitgever schrijft dat als aanbeveling voor de boekhandel? Misschien alleen een die zelf niets liever heeft dan dat, wiens eigen boeken zeer dicht zijn, onnavolgbaar polyfoon, duizelingwekkend labyrintisch.

Calasso is een uitgever die gelooft in de cultus van het boek, ook in een tijd waarin, zoals hij zegt, `er een tendens is om het lezen van high-quality non-fiction te vermijden'. Volgende week zal hij in Tilburg op een door het Nexus-instituut georganiseerde conferentie spreken over de uitgever als kosmopoliet, iemand die algemene waarden in ere houdt en tegelijkertijd een gretig oog heeft voor de rijkdom van verschillende culturen.

In De bruiloft van Cadmus en Harmonia vertelt Calasso over de bloedige geschiedenis van de goden met de mensen, over de wreedheid van de goden, de verkrachtingen, de offers. Over de verzwegen dingen die het lot bepalen, over de weerzin van de helden tegen avonturen, over de bedrogen prinsessen. En alles wat hij schrijft heeft betekenis, elke variant, elk woord, elk gebaar, heel dat boek is een draaikolk van betekenis. Uiteindelijk is wat hij erin vertelt op een grove manier samen te vatten als `hoe de goden zich uit de wereld terugtrokken' en, daarmee verbonden, hoe de tijd van het offer, de tijd van het bloed, plaatsmaakte voor de tijd van het woord. Al is dat natuurlijk niet definitief, zoals niets dat ooit is.

De bruiloft van Cadmus en Harmonia was de laatste gelegenheid waarbij goden en mensen met elkaar aan tafel zaten. Dat leidde, zoals altijd wanneer mensen goden tegenkomen, tot veel wreedheid en bloed. Daarna hebben de goden zich teruggetrokken, maar de Foeniciër Cadmus bracht de Grieken het schrift, zodat ze in de stilte van de geschreven verhalen kunnen blijven leven. Omdat we niet zonder ze kunnen, niet echt.

Calasso schrijft: ,,Het uitnodigen van goden vernietigt onze betrekkingen met hen, maar zet de geschiedenis in beweging. Een leven waarin de goden niet zijn uitgenodigd is niet de moeite waard te worden geleefd.'' Hij schrijft dat niet in de verleden tijd, maar in de tegenwoordige. We moeten dus de goden uitnodigen. Maar hoe? Dat kan toch helemaal niet meer?

,,Dat kan nog steeds'', zegt Calasso. ,,Het is nog altijd hetzelfde. Het goddelijke kun je nog steeds voelen - literatuur is een manier om de goden uit te nodigen. Met de Griekse goden kunnen we nu alleen nog in contact komen door de ruïnes en de resten. Voor de Grieken was het goddelijke onderdeel van het leven van alledag, voor ons heeft het te maken gekregen met het geheugen, met het woord, maar het proces is fundamenteel hetzelfde. Het punt is of die goddelijke krachten er zijn of niet. Er is geen bewijs van iets. Goden zijn fundamenteel epifanieën, verschijningen, openbaringen. Als ze niet verschijnen - wat kun je doen? Je kunt er misschien blij om zijn.''

Megalomaan

Menigeen zal ervan overtuigd zijn dat die goddelijke en mythische krachten niet bestaan, dat het gepraat over de goden onzin is, dat we het dan over een verleden hebben dat we achter ons hebben gelaten. Nu doen we het zonder goden, op eigen kracht. Dat vindt Calasso megalomaan. Hij schrijft dat de atheïsten met al hun ogenschijnlijke bescheidenheid vervuld zijn van grootheidswaan. ,,Ze zijn ervan overtuigd dat ze tijdens hun korte leven iets opbouwen, een eiland van autonomie, dat vervolgens opgaat in blinde atomen. De homerische helden gunden zich die troost niet; terwijl ze leefden wisten ze dat ze werden gesteund en overweldigd door iets dat van ver kwam, onaangetast, en dat hen daarna als een vod achterliet.''

Dat is nieuw: dat de atheïsten degenen zouden zijn die zich troost gunnen, dat degenen die de goden erkennen juist de harde werkelijkheid onder ogen durven zien. Meestal wordt dat precies andersom voorgesteld: atheïsten verklaren dat zij de moed hebben om de leegte die ons omringt te erkennen en dat gelovigen het zich makkelijk maken met de valse troost van zingevende krachten.

Calasso: ,,Ik ken eigenlijk weinig echte atheïsten. Wel veel mensen die geloven in humaniteit, of de maatschappij of zulke abstracties en die daartegenover een volstrekt religieuze houding hebben. Ze denken dat ze atheïsten zijn, maar ze gedragen zich als kwezels. De echte atheïst is een zeldzaam verschijnsel. Maar het geloof in het `ik' dat van alles voort zou brengen, dat is wel typerend. Mensen schrijven zoveel aan zichzelf toe. Als je kijkt wat dat `ik' dan is, dan is dat niet zo duidelijk. Er zit niet ergens binnen in ons een soort steen die `het ik' is.''

En dan begint hij over de spanning tussen `het ik' en `het zelf'. En over de notie van de `atman', het zelf, `wellicht het meest verreikende idee dat ik ken'. Met dat idee, en met veel andere al evenzeer verreikende en alles omverwerpende ideeën heeft de lezer kennis kunnen maken in Calasso's andere grote mythenboek, dat dit voorjaar in Nederlandse vertaling verscheen: Ka. Daarin worden we een wereld binnengeleid die nog vreemder en verder weg is en zo mogelijk nog betekenisvoller dan die van de Griekse goden. ,,Ik geloof dat de Vedische Indiërs verder gingen, meer wisten, preciezer waren'', zegt Calasso. De Indiase en de nog oudere Vedische mythen kennen geen varianten meer, ze zijn varianten. Niets is daar stabiel, goden veranderen voortdurend van naam en van eigenschappen, alles blijft maar beginnen, een vrouw kan tegelijk iemands verre voormoeder en zijn dochter zijn, de aarde is een lotusblad dat drijft op de wateren, op het bloemblad ligt een god, zijn hoofd rust op een slang en dat is het eerste zichtbare beeld, lang voor er materie was. Uit de navel van die god groeit dan weer een lotusbloem waarin Prajapati of Brahma zich bevindt - namen voor de geest, voor dat wat er was vóór de goden er waren, `het zijnde'.

,,De eerste wereld was altijd minstens de tweede, borg altijd een voorgaande in zich.'' (Ka)

,,Het nieuwe was altijd een oeroud kruimeltje dat weigerde te vergaan.''(Ka)

Over elke alinea in Ka, deze 350 bladzijden vol betoverende verhalen, zou men een week na kunnen denken. Een week? Een jaar. Een leven.

Twee vogels

Wat de atman is, het zelf, daarover komen we vanzelfsprekend ook geen eenduidige uitspraak tegen. Misschien is `atman' hetzelfde als `Ka'. En `Ka' is weer de geheime naam van Prajapati, de voorgoddelijke. Ka betekent `wie'. Offert de priester het paard, dan vraagt hij: ,,Wie zet het mes in je? Wie snijdt je aan stukken? Wie verdeelt je zo wijs? Ka zet het mes in je. Ka snijdt je in stukken. Ka verdeelt je zo wijs.'' Een vraag die tegelijk het antwoord is. Een vraag die maakt dat niemand ooit `ik' kan zeggen ten antwoord. We zijn tweeledig, als twee vogels op dezelfde tak van de kosmische boom, zo staat in de Upanishad: de een eet, de andere kijkt naar degene die eet. Het zelf kijkt naar het ik. De atman maakt `dat we ons voelen als een man in de armen van zijn geliefde, iemand voor wie ``binnen of buiten niets meer betekenen''.'

En tegenover mij zit nog steeds de man die dat alles heeft opgeschreven, die zich beweegt in die wereld vol veranderlijke goden, die de namen uitspreekt, de verhalen hervertelt, die betekenissen ontlokt, zoekt en vindt, en die nu met een zorgelijk rimpeltje tussen zijn wenkbrauwen zucht dat het allemaal `heel gecompliceerd' is. Maar prachtig. En onontkoombaar. Hij zegt dat al in Prajapati, de realiteit die vóór de goden komt, de eerste tekenen van de spanning tussen het ik en het zelf zichtbaar worden. En dat de goden in zekere zin een taal zijn waarin deze spanning zich uitdrukt.

Oh.

,,Tussen goden bestaan vreemde verbanden. Dat geldt voor het Griekse pantheon, maar vooral voor het Indiase, dat goden kent die zich in elkaar veranderen, zelfs als ze elkaars tegendeel zijn, zoals Soma en Agni, het levensbrengende sap en het vuur. Dat is voor de westerse blik heel moeilijk.''

De Nederlandse godsdiensthistoricus H.S. Versnel heeft duidelijk gemaakt dat in de Griekse wereld tegengestelde verklaringen naast elkaar kunnen bestaan, zeg ik, gelijkwaardig, hoewel ze elkaar logisch uitsluiten. En dat we de rituelen niet kunnen doorgronden als we ze niet ook op meer manieren tegelijk duiden.

,,Wie is deze man? Schrijft u zijn naam hier even op'', zegt Calasso. ,,Dat is heel juist. De mythe wèrkt met tegenstellingen. Maar de logos, de ordenende geest, kan daar niet mee werken. Als je de functie van de tegenstelling niet begrijpt, begrijp je niets. En waar je in Griekenland die tegenstellingen af en toe vindt, vind je ze elke seconde in India. Men moet anders gaan denken. Niet zo dat je vergeten zou dat links niet rechts is en omgekeerd, maar op een ander niveau. India is niet zo makkelijk. Het is iets beangstigends wat je daar vindt, je wordt er door overdonderd. Als Arjuna zijn vriend Krishna ziet, terwijl Krishna een visioen krijgt van zijn toekomst, is hij verlamd van angst. Dat is een goed teken. Als je niet bang bent heb je misschien niets gezien.''

Goden hebben altijd angst aangejaagd. In de Griekse mythen kunnen de mensen de ontmoeting met de goden, laat staan de aanblik van de goden, meestal niet overleven. In de Bijbel krijgt niemand God te zien. Bij de verheerlijking van Christus op de berg zijn de discipelen doodsbang. Het goddelijke is verschrikkelijk. En onontkoombaar.

Het offer

In zijn andere grote boek, De ondergang van Kasj (1983, vertaling 1993) dat samen met Ka en De bruiloft van Cadmus en Harmonia een drieluik vormt, laat Calasso zien hoe de notie van het offer, zo cruciaal in de verhouding tussen mensen en goden, ook in de moderne wereld doorwerkt. ,,Het offer'', zo staat in Cadmus en Harmonia, ,,is het kosmische mechanisme dat het schuldige leven opheft naar het bewustzijn.'' Het leven is schuldig omdat we moeten eten. En al etende doden we. In het offer wordt de schuld `verlegd, ingeruild, onthuld, gevierd'. En in Kasj staat zelfs: `Het offer ís de schuld'.

Calasso: ,,Ik denk dat zelfs mensen die geloven dat ze niets met mythe te maken hebben, toch in aanraking komen met die laag van het bestaan. In de geschiedenis keren steeds weer dezelfde patronen terug. De Eerste Wereldoorlog, die zich afspeelde in een geseculariseerde, onreligieuze wereld was gebaseerd op het offer. Ga naar de grote steden en je vindt standbeelden van mensen die geofferd hebben of zijn. Dat is een tamelijk vreselijk voorbeeld van wat ik bedoel. De moderne wereld is helemaal niet gescheiden van dit soort krachten. Ze reageert er dwangmatig op. Daarom was Freud zo belangrijk. Hij legde die dingen, de verborgen drijfveren, bloot, op een moderne manier. Zijn vergissing was alleen dat hij dacht dat hij daarmee de mythen overwonnen had.''

De ondergang van Kasj ontleent zijn titel aan een legende. Die legende gaat over de verteller Far-li-mas, afkomstig uit een welvarend Afrikaans land. Far-li-mas moest samen met zijn koning sterven op het moment dat de priesters in de sterren gelezen zouden hebben dat het tijd was. Dat was het gebruik: elke koning werd geofferd om plaats te maken voor de volgende. Maar door de bedwelmende verhalen die Far-li-mas vertelt, letten de priesters niet meer op het goddelijke schrift aan de hemel, ze weten niet meer wat daar staat. De koning sterft een natuurlijke dood en wordt opgevolgd door Far-li-mas. Zo komt er een einde aan het offerritueel. Maar na de heerschappij van Far-li-mas gaat het rijk te gronde. Het offer is de oorzaak van de ondergang, maar het achterwege laten van het offer, het vervangen van het offer door verhalen, ook.

Deze legende lijkt de kortste samenvatting van wat Calasso steeds weer laat zien, de kern van zijn oeuvre. ,,De verhalen in de andere twee boeken zijn de verhalen die Far-li-mas vertelt'', zegt Calasso. En weer kijken we in een duizelingwekkende diepte: de verhalen die het offer uitschakelen, zijn de verhalen die ontstaan zijn doordat er niet meer geofferd werd, de verhalen gaan over het offer en over het belang ervan en tegelijkertijd vernietigen ze dat.

Een ontmoeting met het werk van Calasso laat een lezer achter in verwarring, maar ook in verrukking. Er is zo veel betekenis, er zijn zoveel meeslepende verhalen, alles schittert en betovert. De wereld wordt rijker en dieper, maar het is niet gemakkelijk om in dit werk binnen te dringen. Toch loont het al de moeite om zelfs maar een paar stappen naar binnen te zetten. De laatste woorden van de Boeddha luidden, aldus Calasso: ,,Handel zonder de aandacht te laten verslappen''.

,,En laten we nu eens over de Nederlandse literatuur praten'', zegt Calasso, die plotseling weer veranderd is in de directeur van een uitgeverij. ,,Het werk van Vestdijk, zou dat iets voor Adelphi zijn?''

Op 8 oktober houdt Roberto Calasso een lezing tijdens de Nexus Conferentie `No place for cosmopolitans?' in Tilburg. Inl. (013) 466 34 50.

De boeken van Roberto Calasso zijn verschenen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

`Het punt is of de goddelijke krachten er zijn of niet. Er is geen bewijs van iets'

`Veel mensen denken dat ze atheïsten zijn maar ze gedragen zich als kwezels'