Verstrikt geraakt in zijn vertellers

De Duitse schrijver Günter Grass heeft de laatste Nobelprijs voor Literatuur van deze eeuw gewonnen. Toepasselijk, want in zijn laatste boek beziet hij `zijn eeuw' door de ogen van honderd personages, van bejaarde tot punker. Maar wat hebben die ons te zeggen? Het oeuvre van een auteur die zich heeft overgeleverd aan zijn vertellers, for better or worse.

De keuze voor de Nobelprijs voor Literatuur is dit jaar gevallen op een verteller en Günter Grass is een verteller bij uitstek. Dat wil zeggen: Günter Grass is een verteller die veel werk maakt van de vertellersfiguur. Daar ligt de kracht van Grass èn zijn zwakte. Vindt hij de juiste verteller, dan staat zijn stof als een huis. Vindt hij de verkeerde verteller, dan verandert zijn stof in een sof.

De juiste verteller vond hij voor twee van zijn boeken: Die Blechtrommel en Katz und Maus. Die Blechtrommel (1959) was Grass' romandebuut en een voltreffer die hij tot nu toe niet heeft overtroffen. Je moet de moed maar hebben om zo'n verteller te verzinnen als Oskar Matzerath, die gnoom met zijn rood-witte trommel. Oskar Matzerath beschikt reeds bij zijn geboorte over de geestelijke vermogens van een volwassene en op zijn derde besluit hij te stoppen met groeien. Omdat hij wel een scherp verstand heeft, maar geen last van morele of seksuele taboes prikt hij de hypocrisie van zijn omgeving genadeloos door. Vermomd als peuter observeert Oskar de kleinburgerij. Vermomd als peuter uit Günter Grass zijn kritiek. Op de angst, op het opportunisme en op de vatbaarheid voor totalitaire ideologieën die de bevolkingslaag waar hij zelf uit voortkwam openbaarde toen Hitler aan de macht was. En je accepteert die kritiek, want je leeft mee met de dwerg die zich niet wil aanpassen aan de wereld van de volwassenen.

Twee jaar na Die Blechtrommel verscheen Katz und Maus, een novelle. Geen buitennissig wezen voert hierin het woord, maar een doorsneemens. Pilenz kijkt terug op zijn schooltijd die werd beheerst door de volgende, doodgewone moraal: wie opvalt moet het ontgelden. De doodgewone hobby van deze scholieren is `pesten'. Als Pilenz ontwaart dat een van zijn klasgenoten een abnormaal grote adamsappel heeft, laat hij er een kat op los. In het bijzijn van alle andere jongens. En daarmee begint de lijdensweg van Joachim Mahlke, de eenling. Wanhopig probeert hij zijn abnormaliteit te bedekken. Met een schroevendraaier, met een Maria-medaillon of met een IJzeren Kruis. Alles vergeefs want de jongens, opgefokt door de nazi-terreur op hun school, hebben nu eenmaal een zondebok nodig.

Het vertellersperspectief in Die Blechtrommel klopte, omdat iemand van onderaf naar boven keek. Het vertellersperspectief in Katz und Maus klopte, omdat iemand van bovenaf naar beneden keek. En bovenal klopten beide perspectieven omdat de schrijver er niet moeilijk over deed.

Versnipperd

Dat veranderde in 1963, in de roman Hundejahre. `Vertel Jij! Nee vertelt U! Of Jij vertelt. [-] Iemand moet beginnen: Jij of Hij of Zij of Ik...' Zo emmert degene die het verhaal moet beginnen maar door. Heel modern maakt Günter Grass een probleem van datgene wat een roman doorgaans bijeenhoudt. De wereld van tegenwoordig is immers versnipperd en daarom laat Grass het perspectief uiteenvallen in een heleboel stukjes. Hundejahre heeft zóveel vertellers dat het de lezer begint te duizelen. Er is een Amsel, er is een Liebenau, er is een Matern. Dan is er ook nog een Brauxel, maar die valt soms samen met Amsel. En Amsel valt soms samen met alle vertellers tegelijk. Grass' vertellerscollectief is een zootje ongeregeld dat de al even ongeordende fantasie van de auteur niet onder controle krijgt. Zonde, want de zo nu en dan begrijpelijke idee, de idee namelijk dat de mens zich onderwerpt aan goedkope clichés, is op zichzelf niet oninteressant.

In zijn jonge jaren hàd Günter Grass nog ideeën. Die waren geworteld in Danzig, zijn geboorteplaats. Als Grass over Danzig schreef, schreef hij over dingen die hij persoonlijk kende. De grutterigheid van Oskar Matzeraths ouders; de meeloperigheid van Matern; het anders-zijn van Mahlke: in Danzig ontdekte Grass wat dat betekende. Zijn ouders hadden er een kruidenierszaak en wanneer Günter van de voorstad naar het centrum liep, ontmoette hij niet alleen mufheid maar ook, totdat Hitler hen tegen elkaar opzette, een opwindende wirwar van joden, zigeuners, Polen, Duitsers en Kasjoeben. Ja, voor de jonge schrijver Günter Grass was het Danzig van vóór en tijdens de oorlog een bron van zowel kwaadheid als creativiteit. De kwaadheid en de creativiteit verminderden toen Grass over de naoorlogse tijd begon te schrijven en over onderwerpen die hij minder goed kende.

Der Butt, uit 1977, speelt zich weliswaar nog steeds grotendeels af in en om Danzig, maar de thematiek heeft niet veel meer te maken met het vertrouwde universum van des schrijvers jeugd. Der Butt gaat over het feminisme. Over de mogelijke terugkeer van het matriarchaat, waardoor onze planeet misschien zou kunnen worden gered. Omdat Grass zich een beetje voor zijn idealisme schaamt, gaat hij het te lijf met meer ironie dan ooit tevoren. De ik-verteller is een man en wàt voor een! Een erotomaan, een macho. Erg grappig, maar Grass gaat de mist in door de man onsterfelijkheid te verlenen. Wie niet kan sterven, die leeft niet: deze simpele waarheid sloeg Günter Grass in de wind toen hij voor dit boek de figuur Edek schiep. Edek doolt door de eeuwen, nu eens in de gedaante van de barokdichter Martin Opitz, dan weer voorzien van de naam Hegge,of Rapp, of Stubbe, of Stobbe. Door deze verscheidenheid aan identiteiten kan het gebeuren dat de verteller in één episode twee personages tegelijk is. Beul èn slachtoffer bijvoorbeeld. Dat werkt niet; het wordt hooguit potsierlijk.

Hoe ouder Günter Grass wordt, des te verder verwijdert hij zich van zijn jeugd, zijn naïviteit, zijn onbevangenheid. Steeds geforceerder worden de vertelconstructies, steeds ongeloofwaardiger degenen die daarin gevangen zitten en steeds matter hun boodschap. Het is alsof Grass zich op de laatste vragen stort omdat hij over de voorlaatste niets meer te zeggen heeft. In Die Rättin (1988) interesseert hij zich ineens hevig voor de zelfmoord van de mensheid en Anna Bronski, de ooit zo levendige grootmoeder van Oskar Matzerath, sterft – in een atoomoorlog. Een rattenleger sleept het lijk naar de dom van Danzig, als relikwie uit de tijd van de tweebeners.

Nationale schrijver

Ook wil de oudere Günter Grass, nog meer dan de jongere, de nationale schrijver van Duitsland zijn. Goede bedoelingen genoeg. Niets minder nobels (heeft hij daarom de Nobelprijs gekregen?) dan de verzoening van de Duitsers met andere volkeren streeft Grass na in Unkenrufe (1992), waarin de ene hoofdpersoon voor de Duitsers staat, de andere hoofdpersoon voor het buurvolk der Polen en een bijfiguur, de succesvolle riksjarijder Mister Chatterjee, voor de migranten uit de Derde Wereld. Schema's in plaats van mensen creëerde Grass, de mensenvriend, hier. En zelfs de verteller kan zijn vertwijfeling niet overal onderdrukken: `Wat boeit mij aan hun geschiedenis nog? Is hun liefde niet nu al gewoontjes [–]? Hoeveel moet ik nog slikken?'

En dan Ein weites Feld. Het 781 bladzijden dikke boek verscheen vier jaar geleden met veel tamtam: Grass zou, volgens uitgever Steidl en volgens hemzelf,dé roman over de Duitse hereniging hebben geschreven. Het is vooral een roman geworden over zelfgenoegzaamheid. Niet de zelfgenoegzaamheid van de Wessies, maar die van de auteur. Die dit keer het woord geeft aan een groep vlijtige archivarissen. Elke poep en elke scheet van hun held houden zij vast. En die held lijkt op Günter Grass, op degene althans op wie Günter Grass zou willen lijken. Fonty heet de held: een duidelijke verwijzing naar Grass' collega Fontane. Ook Theodor Fontane (1819-1898) schreef dikke romans over sociale problemen. Dat deed hij niet-pathetisch en schijnbaar moeiteloos. Geen wonder dat Grass in Ein weites Feld de stijl van Fontane probeert te imiteren. Dat lukt hem heel aardig – en toch maakt de roman geen moeiteloze indruk. Sterker nog: geen enkel boek van Günter Grass doet zo gekunsteld aan als juist Ein weites Feld. Fonty leeft in het heden, maar praat als iemand uit de vorige eeuw. Bedaagd en knus en gezellig. Samen met een Stasi-type babbelt hij wat af. Waar blijft Grass' woede? Over de Stasi bijvoorbeeld? Waarom maakte hij zich na de val van de Muur op radio en televisie zo kwaad over de Treuhand en over de `uitverkoop van de DDR', terwijl er in de roman van die kwaadheid niets terug is te vinden? Ook niet, hoe anders dan bij Fontane, onder de oppervlakte? Je zou haast denken dat Günter Grass zijn beste krachten niet meer aan de literatuur geeft, maar aan de massamedia. Telkens als er een boek van hem op verschijnen staat, slingert hij een handvol opinies de ether in die altijd goed zijn voor wat tumult.

Millenniumgeschenk

Het was opnieuw raak bij de lancering van Grass' nieuwste product, het millenniumgeschenk Mein Jahrhundert. Grass vergeleek het asielbeleid van kanselier Schröders regering met de praktijken van de Servische president Miloševic, met dit verschil dat die praktijken in Duitsland legaal zouden plaatsvinden: `Een of andere instelling beslist dat ongeliefde buitenlanders naar een bepaald land kunnen worden teruggestuurd. Dat is in feite de voorzetting van etnische zuivering.' Zo staat het in het weekblad Focus. In Mein Jahrhundert staat zoiets niet. Günter Grass is er trots op dat hij voor zijn openbare optredens een andere taal heeft dan voor zijn literatuur – maar daarom, dunkt mij, hoeft zijn literaire taal nog niet bloedeloos te zijn.

Nog niet bezadigd en behaaglijk en zelfvoldaan. Net als Fonty en zijn kameraad in Ein weites Feld zijn de vertellers in Mein Jahrhundert nergens door te schokken. Ze spreken genoeglijk hun dialect en laten zich niet storen. Het `mein' uit de titel misleidt. De auteur heeft zichzelf opgesplitst in honderd personages en elk van hen vertelt een verhaal. Eén verhaal bij één jaar uit deze eeuw. In plaats van een autobiografie, een bekentenis, is het boek dat sinds juli de koffietafel van menig Duits gezin siert een risicoloos rollenspel. De ene keer speelt Grass een man, de andere keer een vrouw. Nu eens een opa, dan weer een punk. Er komen voetbalfans voorbij, soldaten, boksers, stripteaseuses en fabrieksarbeidsters. Zogenaamde eenvoudige mensen, meelopers in de Duitse geschiedenis, die bestond – dat verhult ook Grass niet – uit het ontketenen van oorlogen, uit bewapenen en ontwapenen en opnieuw bewapenen. In de door Grass persoonlijk vervaardigde aquarellen in het boek duikt meer dan eens de Pickelhaube op, het puntige hoofddeksel van het Pruisische leger. Gevechtsvliegtuigen en onderzeeboten zijn andere geliefde motieven. Ja, ook de illustraties zien er eerder gezellig uit dan angstaanjagend. En de vertellers zijn illustraties bij de illustraties, want ze vertegenwoordigen slechts de firma's die Duitsland direct of indirect aan zijn voorraad wapentuig hielpen.

Een enkele keer betreedt Günter Grass zelf de bühne. Samen met vrouw en nakomelingen. Dan poseert hij als een vriendelijke patriarch, die het wel aardig vindt om verhalen te vertellen waar de jeugd iets van opsteekt.

Dan liever Oskar Matzerath, met zijn onheilspellende getrommel.