Van bullebak tot zacht ei

Meesters en juffen in kinderboeken werden, op enkele uitzonderingen na, steeds aardiger en gewoner, maar helemaal gewoon worden ze nooit.

Een meester die een biefstukje bakt. Die in pyjama zijn tanden poetst. Die op aerobic zit. Of, nog gekker, een meester die naar een popconcert gaat. Voor kinderen is het onvoorstelbaar. Meesters horen op school, net als juffen. De meester maakt de school, hij is de school. Als de school uitgaat, bestaat de meester niet langer. Hij maakt deel uit van het klaslokaal, zoals de stoeltjes, de tafeltjes en het bord.

Groot is de ontsteltenis van Polleke, de hoofdpersoon van het net verschenen kinderboek van Guus Kuijer, Voor altijd samen, amen, als de meester ineens op de bank zit. Bij haar thuis. Met zijn arm rond haar moeder. Het is het gevoel van Joop ter Heul, bijna een eeuw eerder beschreven door Cissy van Marxveldt in 1919. Zuster Julie verlooft zich met natuurkundeleraar Schmidt. Joops natuurkundeleraar. Diezelfde bij wie zij altijd zo graag `een pan' maakt.

De meester hoort niet in de huiskamer, de ouder niet in het klaslokaal. Kinderen leven in ten minste twee werelden. Een goedbedoelende vader of moeder die met broodtrommeltje in de hand aan het tafeltje van zijn kind opduikt, pleegt een inbreuk. Een inbreuk op wie het kind in de klas is. Stoer of modieus of stil; in één klap is het kind weer niets meer dan gewoon, iemands kind. Zo'n kind dat zijn yoghurt moet opeten en niet mag lezen in bed, dat nog met een knuffelbeest slaapt, aangesproken wordt met een koosnaampje. De scheiding tussen thuis en school is strikt. Thuis ben je kind van je ouders. In de klas is iedereen van zichzelf, gelijkwaardig aan de anderen. Allemaal samen ben je van de meester. En de meester is van iedereen.

Toen meesters en juffrouwen in kinderboeken nog bijnamen hadden als De Generaal, Zuurtje en de Huzaar, vormden zij voor de klas voornamelijk een gemeenschappelijk te bestrijden doel. De leraar had de absolute macht, waar de leerlingen niet aan konden tornen. Ze kunnen hoogstens een lerarenparaplu volstoppen met proppen papier, een skelet een hoedje opzetten, een horlogeketting in hun oren haken tijdens de les. Klein verzet zonder wezenlijk resultaat, uitmondend in straf.

Leraar en leerling leefden in geheel gescheiden werelden, als waren zij twee verschillende, vijandige diersoorten, toevallig samen in een kooi beland. De strijd was al op voorhand beslist. ,,Zegevierend keek de juffrouw; tranen van woede sprongen in de ogen van het kind', schreef Top Naeff in 1900 in Schoolidyllen. De meisjesklas van hoofdpersoon Jet moet een lelie ontleden, al vinden ze de bloem nog zo mooi: ,,En ze sneden en kerfden tot het sap, 't bloemenbloed, lekte uit de wonden en de kelk neerknakte van de stengel in vochtige vezels.'

Temidden van dit soort strenge opvoeders, geheel vergeten dat ze zelf eens kind waren, was er meestal een die afweek. De enige voor wie de leerlingen een heilig ontzag voelden, niet omdat hun verteld was dat ze dat moesten, maar omdat de meester (of juf) het zelf `verdiende'. Bij J.B. Schuil heette hij Buikie (Jan van Beek, 1910), bij Chris van Abkoude meester Ster (Pietje Bell, 1914), bij Joop ter Heul juffrouw Weijers (De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul, 1919). Zachtaardige meesters zijn het, zoals Theo Thijssen ze graag zag, als een vriendelijke oom of tante voor hun leerlingen, toegewijd en begripvol.

Met de jaren werd dit soort meester er steeds menselijker en begripvoller op. Totdat hij in zijn tegendeel verkeerde. Van bullebak tot zacht ei, in minder dan honderd jaar. ,,Als jullie me een lul vinden, moeten jullie het gewoon zeggen', zegt de onderwijzer uit een klassiek geworden Peter van Straaten-cartoon tegen de klas. Als er tegenwoordig nog een strenge meester of juf in een kinderboek opduikt, is het meteen een onbestaanbare karikatuur. In Mathilda (1988) van Roald Dahl slingert juffrouw Bulstronk kinderen aan hun haren het raam uit. Toon Tellegens Juffrouw Kachel, uit het gelijknamige boek (1991), slaat met haar knokkels, of met haar vlakke hand. Als ze voorleest, stopt ze expres eerst een toffee in haar mond.

Meester Cowboy

Als uitvinder van `de menselijke meester' wordt Guus Kuijer wel geroemd, al is het eerder het scheppen van Buikies verder geëmancipeerde nageslacht dat hij deed. In 1977 verscheen Op je kop in de prullenbak, waarin Madelief in de klas komt bij zo'n type. Deze meester is modern, zegt hij zelf. `Modern, dat betekent gek', begrijpt Madelief al gauw. In de klas van `Meester Cowboy', zoals zij hem bij zichzelf noemt, mag iedereen vrijelijk `anders' zijn. Brigitte bijvoorbeeld denkt dat ze een tijger is. Ze sluipt tussen de banken door en brult. Maar niemand pest haar en niemand wil haar kwijt.

Guus Kuijer is niet de enige die een lans brak voor onderwijs waarin leraar en leerling op gelijke voet met elkaar omgaan en iedereen zichzelf kan zijn. Hij kreeg navolging van auteurs die wilden beschrijven wat er speelt op school, in de klas, tussen de kinderen en de meester en tussen de kinderen onderling. De koning van het genre is Jacques Vriens. Hij schrijft natuurgetrouw, veelal in dialogen. Vriens' meesters hebben onveranderlijk een gouden hart, maar kunnen heel driftig worden. Als uitgangspunt kiest hij gebeurtenissen die iedere scholier doormaakt. Zoals schoolreisjes en eerste liefdes.

Het gaat Jacques Vriens er niet in eerste instantie om problemen als discriminatie of pesten te `behandelen'. Niettemin is duidelijk te merken dat hij een ex-onderwijzer is, die zijn lezers wil meegeven dat je maar het best lief en aardig kunt zijn voor elkaar. Met de menselijke meester is niet de moraal verdwenen uit kinderboeken. Integendeel, in veel hedendaagse schoolverhalen is de inzet van de auteur een probleem, waarvoor de juiste oplossing wordt gegeven. Levenslessen verpakt in een verhaaltje. In Bikkels!, het kinderboekenweekgeschenk van Carry Slee, maant meester Sjoerd zijn leerlingen discriminatie in hun omgeving zelf te bestrijden. Zo komt het tot een actie tegen de snoepwinkelier die allochtone kinderen altijd eindeloos lang laat wachten.

Moralist

In de loop van deze eeuw is de afstand tussen leermeester en leerling gekrompen, verdwijnen zal hij nooit. De leermeester is en blijft opvoeder, moralist. Erg is dat niet. Het ideaal uit de jaren zeventig: de meester als vriend, als gelijke, is even onmogelijk als onwenselijk. De school is de school, en geen tweede thuis. Onderwijzers, in het echt en in kinderboeken, meesters en juffen, meneren en mevrouwen, de Barts, Jaaps, Tinekes of hoe ze ook maar heten mogen, zijn er om te bewonderen en om te haten. Van een afstandje.

Alleen dan kan een dichter als Jonathan geboren worden. In De tranen knallen uit mijn kop van Guus Kuijer (1980) is leerling Jonathan verliefd op zijn juf, juf de Zwaan. Zeer verliefd. Hij dicht:

`O juf de Zwaan! O volle maan!

Wat een banaan! Zie ik daar gaan!'

Het is een mooi gedicht, vindt hij zelf: ,,Alleen die banaan, die staat een beetje gek. En kon je een banaan zien gáán? Jawel. Jawel. Natuurlijk. Als iemand op straat een banaan eet, zie je een banaan gaan. Waar of niet?'

Schoolverhalen zijn de psychologische romans van de jeugdliteratuur. Voor echte avonturen moet je de school uit. Die gebeuren op woensdagmiddag en in de vakantie, ver van de meester. Of anders moet toch op zijn minst de meester de school uit. In het allermooiste schoolverhaal uit de Nederlandse jeugdliteratuur, De Zevensprong (1967), kiest Tonke Dragt een meester als hoofdpersoon. Een gewone man, met een huis en een hospita. Zijn naam is Frans van der Steg. Bijzonder is dat het avontuur hem overkomt, en niet de kinderen.

Van der Steg is een wijze meester, die begrijpt dat hij voor de kinderen buiten school eigenlijk niet bestaat. Daar kan hij elke rol spelen die hij wil, omdat hij dan niet langer schoolmeester is, kan zijn. In de verhalen die hij zijn klas vertelt, strijdt zijn alter ego Frans de Rode tegen zelfverzonnen onrecht in zelfverzonnen verre landen.

Groot is zijn verbijstering als de fantasie sterker blijkt dan wat hij voor de realiteit hield. Vanaf dat moment zijn de kinderen hem de baas. Zij aanvaarden en doorgronden de vermenging van fictie en werkelijkheid veel makkelijker dan hij, en overzien er eerder de consequenties van. Aan de vaststaande verhouding leraar-leerling wordt gewrikt. Frans de Rode raakt betrokken bij een duister complot, Frans van der Steg moet zijn leerlingen om raad vragen. Daarmee is hij verlost van zijn rol als opvoeder, wordt hij meer mens dan moralist. Een mens met een pyjama, een tandenborstel, angsten en onzekerheden.

De Kinderboekenweek 1999 duurt van 6 tot 16 oktober en heeft als thema `van @penstaartje tot apenkooi – verhalen over school'. Informatie over schrijversoptredens en andere festiviteiten is te vinden op het Internet: www.kinderboekenweek.nl.

In de klas is iedereen

van zichzelf. Allemaal samen ben je van de meester

De meester is modern. `Modern, dat betekent gek', begrijpt Madelief