Trieste nachten in Tenochtitlan

Eindelijk is er een moderne Nederlandse vertaling van de bekendste kroniek van de Spaanse annexatie van Mexico, geschreven door een medestrijder van de grote conquistador Hernán Cortés. Maar wie was deze auteur en waarvan was hij getuige: een verovering of een genocide?

Niet de grote conquistador Hernán Cortés zelf, maar een soldaat van lage rang en nederige afkomst schreef het bekendste verslag van de Spaanse verovering van het Azteekse rijk tussen 1519 en 1525. Bernal Díaz del Castillo's Ware Geschiedenis van de Verovering van Nieuw-Spanje – de naam die de Europese veroveraars in dienst van Karel V gaven aan diens eerste grote koloniale rijk in de Nieuwe Wereld – wordt dikwijls beschouwd als de eerlijke ontboezeming van een man uit het gewone volk van de zestiende eeuw.

Wie was deze man? Bernal Díaz del Castillo werd geboren in 1492, als de zoon van een regidor (wethouder) in Medina del Campo. Hij nam als soldaat deel aan de expeditie van Cortés en vestigde zich later in het huidige Guatemala, als encomendero, leenman en belastingheffer. Hij overleed in 1581 in Santiago de Guatemala, op zeer hoge leeftijd. Voordien had hij de laatste hand gelegd aan zijn memoires, die hij had geschreven als een corrigerende reactie op een boek van López de Gómara over de verovering van Mexico. Gómara was daarbij niet zelf aanwezig geweest, en Díaz wilde `het ware verhaal' vertellen, vooral voor zijn eigen nabestaanden en kleinkinderen.

De Ware Geschiedenis werd pas vijftig jaar na Díaz' dood gepubliceerd, in 1632, en bleef lang vrijwel onopgemerkt. Eerst in de achttiende en negentiende eeuw viel het boek toenemende waardering ten deel, die tot op de dag van vandaag voortduurt. Veelal gaat die samen met een zekere sympathie voor de auteur, waaraan mogelijk het in onze tijd zo wijdverbreide mededogen met de underdog ten grondslag ligt. Want in zijn herinneringen, opgetekend een halve eeuw na de dramatische gebeurtenissen, beklaagt Díaz zich er herhaaldelijk over hoe slecht de gewone soldaten beloond en behandeld werden door hun officieren, en hoe bekaaid zij er afkwamen bij de verdeling van de krijgsbuit, de indiaanse slaven en het aan de inheemsen ontnomen grondbezit.

Aan het einde van de twintigste eeuw, nu wij een aanmerkelijk sterker gevoel voor mensenrechten hebben ontwikkeld, is het op zijn plaats te beseffen dat deze Bernal Díaz del Castillo, gemeten naar onze huidige maatstaven, een onomstreden kandidaat zou zijn voor berechting door het Midden-Amerikaanse equivalent van het Joegoslavië-tribunaal. Daarvoor hoeven we alleen maar zijn eigen tekst te lezen aan het begin van hoofdstuk 143, waar hij beschrijft hoe de Spanjaarden hun indiaanse slaven verdeelden.

Díaz schrijft: `Omdat Gonzalo de Sandoval was teruggekomen met een grote hoeveelheid slaven en er bij eerdere expedities ook nog eens zoveel waren buitgemaakt, werd besloten om ze meteen te brandmerken; en toen werd omgeroepen dat ze voor het brandmerken naar een bepaald huis moesten worden gebracht, brachten alle soldaten de gevangengenomen exemplaren daarheen om ze met het brandijzer van Zijne Majesteit, dat de vorm had van een G, van guerra (oorlog), te brandmerken, en we dachten ze terug te krijgen zodra het koninklijke vijfde deel was betaald, en dat alleen bekeken zou worden hoeveel ze waard waren; maar dat was niet zo, want als dit in Tepéaca al slecht werd afgehandeld, in Texcoco was het nog veel slechter geregeld; want nadat het vijfde deel voor de koning eraf was gehaald, ging er nog een vijfde voor Cortés af en dan nog een deel voor de aanvoerders; en in de nacht daarvoor, toen ze alle slaven hadden verzameld, verdwenen de beste indiaanse vrouwen.'

En hij vervolgt: `En hoewel Cortés ons had gezegd en beloofd dat de beste exemplaren in het openbaar zouden worden verkocht voor wat ze waard waren, en die minder waard waren voor een lagere prijs, konden ze het niet met elkaar eens worden, want de ambtenaren van de koning die daarmee belast waren, deden wat ze wilden; als het dus al een keer slecht was geregeld, dan was het deze keer nog erger; vanaf dat ogenblik zochten wij, de soldaten, zelf een paar mooie indiaansen uit, en opdat ze ons die niet zouden afpakken, zoals eerder was gebeurd, verstopten we ze en lieten ze niet brandmerken, en we zeiden dan dat ze waren gevlucht.'

Hier horen we het verongelijkte toontje van de gewone soldaat, die zich door de hoge heren achtergesteld en uitgebuit voelt, maar die geen enkel medeleven toont met de weerloze, nog veel meer uitgebuite indiaanse slachtoffers van de Spaanse rovers en verkrachters, tot wie we deze zo vaak als brave borst aangeduide auteur zelf ongetwijfeld ook kunnen rekenen.

De beoordeling van Bernal Díaz als historische persoonlijkheid hangt samen met de onder geschiedkundigen en Mexicanisten nog altijd voortdurende discussie over de zogenoemde `zwarte legende'. Daarmee wordt gedoeld op de `legende' van een Spaans schrikbewind in de koloniën, die vooral is aangezet door critici van dat regime, zoals de geestelijke Bartolomé de las Casas. De opvatting dat het hier een `legende' betreft, is in zwang bij verdedigers van het Spaanse beleid, dat in formele zin en op papier inderdaad enige voortreffelijke humanistische trekken vertoonde. Studie van de meer geëngageerde Spaanse kroniekschrijvers, en vooral van de inheemse geschiedschrijvers, heeft echter onomstotelijk aangetoond dat de praktijk van de Spaanse koloniale overheersing in de grootste delen van Amerika leidde tot schrijnend maatschappelijk onrecht en een van de ernstigste demografische rampen uit de wereldgeschiedenis. Na een halve eeuw Spaans bewind was op de hooglanden van Mexico nog slechts negentien procent van het bevolkingsgetal van 1520 overgebleven en in de tropische kustgebieden niet meer dan zeven procent. Er is dus nauwelijks reden om over een `legende' te spreken, want de eerste eeuw van de Spaanse overheersing was voor de overgrote meerderheid van de inheemse bevolking ongetwijfeld werkelijk `zwart'.

De Nederlandse vertaalsters van Bernal Díaz verdienen lof omdat zij voldoende trouw hebben betoond aan de oorspronkelijke Spaanse tekst, maar er toch in zijn geslaagd die in vlot leesbaar Nederlands te verwoorden. Wel valt hun het verwijt te maken dat ze voor onvoldoende verklarende noten hebben gezorgd, want die mag men toch op zijn minst verwachten bij het ontbreken van een verklarende inleiding. De vertaalsters hebben zich echter volledig onthouden van commentaar; de lezer wordt onmiddellijk aan de Proloog van de oorspronkelijke kroniek gezet.

Nu is er veel voor te zeggen om het toch al omvangrijke boek niet nog veel dikker te maken door een uitgebreide toelichting toe te voegen. Maar het ontbreken van commentaar betekent wel dat de lezer geen enkel zicht wordt geboden op tal van eigenaardigheden van Bernal Díaz' persoonlijke beleving van zijn historische lotgevallen. Zoals de titel van zijn boek aangeeft streefde hij ernaar de `ware geschiedenis' vast te leggen. Een indruk van het waarheidsgehalte van zijn kroniek kan echter alleen maar worden verkregen door die te vergelijken met andere verslagen uit dezelfde tijd. Om die reden zal ik zijn beschrijving van een aantal belangrijke gebeurtenissen tijdens de Spaanse verovering van Mexico tussen 1519 en 1525, vergelijken met een aantal andere. Daartoe leg ik naast Bernal Díaz' relaas van enige hoogte- of dieptepunten in het verloop van de oorlog, dat van Cortés zelf, zoals hij dat vastlegde in zijn brieven aan Karel V, en verder enkele van de verslagen die de Azteken ons van diezelfde gebeurtenissen hebben nagelaten. Een schets van het Azteekse staatsbestel kan helpen die bronnen te begrijpen.

Zowel Cortés als Bernal Díaz miste voldoende inzicht in de bestuurlijke organisatie van het Azteekse rijk om de staatsfunctie te kunnen begrijpen van de `Grote Spreker' (Hueyi Tlahtoani) Moteuczoma. Afgaande op de pracht en praal waarmee deze functionaris was omgeven en op de eerbied die hem alom werd betoond, konden zij vanuit hun eigen Spaanse achtergrond hem niet anders zien dan als een soevereine machthebber, als een koning of keizer. In het Azteekse regeringsstelsel was hij echter slechts één van twee opperste rijksregeerders en wel degene die door het Mexicaanse deel van de zogenoemde `Drievuldige Troon' werd aangesteld als opperste bewindvoerder over de verenigde drie deelrijken Mexihco, Acolhuacan (met als hoofdstad Tetzcoco) en Tecpanecapan (met als hoofdstad Tlacopan, of Tlacupan). Naast hem regeerde in zijn eigen deelrijk een mederegeerder die de titel `Vrouwelijke Begeleider' droeg en vooral gezag naar binnentoe uitoefende. Deze tweede hoge gezagsdrager stond aan de top van de rechterlijke macht, maar hij was ook voorzitter van een twintigtal leden omvattende regeringsraad, de Tlahtocan, het officiële lichaam dat drager van de staatssoevereiniteit was.

Ook de vorsten van de twee andere deelrijken waren lid van deze raad. Zij waren steeds in de vrouwelijke lijn verwant met de `Grote Spreker' van Mexihco, omdat zij gedwongen waren met Mexicaanse prinsessen te huwen en slechts de kinderen uit die huwelijken in hun deelrijken als opvolgers in aanmerking konden komen. De drie `vaderrechterlijke' vorstelijke geslachten die de drie deelrijken regeerden vormden zo één enkele `moederrechterlijke' familie. De vorst van Tetzcoco had binnen de Tlahtocan de ceremoniële taak de nieuwe Azteekse `Grote Spreker' te kronen, nadat die door de raad was gekozen. Meestal werd gekozen uit een viertal belangrijkste raadsleden, die allen naaste verwanten waren van de overleden, of eventueel door de raad afgezette, vorige `Grote Spreker'. Het is overigens hoogst opmerkelijk dat in het huidige, al meer dan tachtig jaar door dezelfde politieke partij gedomineerde Mexicaanse regeringsstelsel de presidenten eveneens doorgaans gekozen worden uit vier belangrijkste ministers van het voorafgaande bewind.

Omdat Cortés en Bernal Díaz niet in staat waren dit merkwaardige Azteekse bewind te begrijpen, konden zij ook niet bevroeden welke politieke doelen werden nagestreefd door Moteuczoma en zijn bewindslieden. Onmiddellijk na de Spaanse inval ontstonden er binnen de Azteekse leiding twee facties. De ene, rond Moteuczoma, wilde een gewapende confrontatie met de onbekende en naar macht, aard en wezen moeilijk in te schatten vreemdelingen vermijden. De andere, rond Moteuczoma's broer Cuitlahuac en zijn neef Cuauhtemoc, wilde de invallers verdrijven of zelfs vernietigen. Moteuczoma zelf, door opvoeding en ervaring langdurig vertrouwd met een tweevuldige gezagsuitoefening, trachtte een beleid te voeren dat erop gericht was de vreemdelingen in het Azteekse stelsel in te kapselen. In dat kader was hij zelfs bereid zover te gaan, de Spanjaarden een vorm van mede-bewindvoering aan te bieden. Zowel Cortés als Bernal Díaz vatte Moteuczoma's uitlatingen in die richting echter zonder meer op als een teken van zijn bereidheid zich aan het oppergezag van Karel V te onderwerpen. Vanaf dat ogenblik konden zij, naar hun mening, iedere militaire actie van Azteekse zijde aanmerken als `opstand'.

Cortés en zijn soldaat Díaz geven een geheel ander verslag van hun eerste binnenkomst in de Azteekse hoofdstad Mexihco-Tenochtitlan dan de schrijvers van de Azteekse kronieken. Ze stemmen hooguit overeen in de grote mate van verwondering die erin wordt uitgedrukt.

Bernal Díaz schrijft: `Toen we al die bewonderenswaardige dingen zagen waren we sprakeloos, en we wisten niet of het werkelijkheid was wat daar voor onze ogen verscheen, want zowel op het land als in het meer zagen we vele grote steden liggen, en overal kano's, en in de weg zaten vele bruggen, en daar voor ons de grote stad Mexico. (...) We werden zo een tijd opgehouden en intussen gingen Cacamatzin, de Heer van Tezcuco en de Heren van Estapalapa, Tacuba en Cuyuacán de grote Montezuma tegemoet, die naderde in een prachtige draagstoel, vergezeld door andere machtige Heren. (...) Toen Cortés hoorde en begreep dat de grote Montezuma eraan kwam, stapte hij van zijn paard en toen hij bij Montezuma aankwam bogen ze diep voor elkaar (...) hij hing die ketting (van glasparels) om de hals van de grote Montezuma, en toen hij dat deed wilde hij hem omhelzen, maar de machtige heren die bij Montezuma stonden, pakten zijn arm om dat te voorkomen, want ze beschouwden dat als een gebrek aan respect.'

Cortés schrijft over dit voorval, in zijn tweede brief aan Karel V: `(...) de genoemde Muteczuma kwam over de straat naderbij vergezeld van twee heren, één aan de rechter en één aan de linker zijde. De ene was de grote heerser die in de draagstoel naar mij toe was gekomen om mij toe te spreken en de andere was de broer van Muteczuma, de Heer van die stad Iztapalapa, vanwaar we die dag vertrokken waren. (...) En toen ik voor de genoemde Muteczuma aankwam om hem toe te spreken nam ik een halsketting van gekleurde steentjes en glasdiamanten af en die wierp ik hem om de hals en na de straat ingelopen te zijn kwam een van zijn dienaren met twee halskettingen van gekleurde schelpen, waaraan gouden visjes afhingen.... en hing die om mijn hals....' Cortés wijdt dus geen woord aan zijn mislukte poging Moteuczoma te omhelzen.

Een anonieme Azteekse ooggetuige schreef over deze historische ontmoeting het volgende: `(Cortés) kwam haar (zijn tolk Malintzin) in zijn onwelluidende taal zeggen: `Moge Motecuzoma gerust zijn, (...) want ik heb hem zeer lief. (...) Dan pakt hij aldus Motecuzoma bij de hand, voert hem mee, komt hem begeleiden, beklopt hem, waarmee hij hem hun liefde betuigt. En de Spanjaarden bezien hem, één voor één zien zij hem, zij verdringen zich, rekken zich uit of buigen zich om hem te zien. (...) En dit zijn al de gebieders die dicht naast Motecuzoma tegenwoordig waren: de eerste was Cacamatzin, de gebieder van Tetzcucu, de tweede was Tetlepanquetzatzin, de gebieder van Tlacupan, de derde was Itzcuauhtzin, (vervolgens worden nog zeven hoge ambtsdragers opgesomd).'

Zoals de Spanjaarden zich verbaasden over de schitterende steden tussen de blauwe en groene meren en de pracht en praal der Azteekse notabelen, zo verwonderde ook de Azteekse verslaglegger zich over wat hij zag:

`Ze (de Spanjaarden) hebben overal belletjes, ze komen behangen met bellen. Terwijl de bellen klinken, hinneken en snuiven de `herten' (de paarden); ze zweten overvloedig, alsof er water op hen gevallen is. En het schuim van hun lippen druipt op de grond, alsof het neervallend zeepschuim is!' (...) `En toen ze (de Spanjaarden) het gebouw van de Rijksraad binnenkwamen, schoten zij hun geweren af, herhaaldelijk schoten zij ermee, de geweren ontbrandden daar al, reeds stootten zij rook uit, alsof zij uiteenspatten.'

De bronnen vertonen eveneens belangrijke verschillen in de verslaglegging over de dood van Moteuczoma en de daaropvolgende noche triste (Droevige nacht), waarin de Spanjaarden en hun inheemse hulptroepen uit de Azteekse hoofdstad verdreven werden. Cortés schrijft Karel V dat Moteuczoma overleed aan de gevolgen van een hoofdwond, nadat tijdens zijn laatste toespraak een steen hem had getroffen vanuit de roerige volksmenigte. Díaz, die bij de dood van Moteuczoma niet aanwezig was, neemt deze lezing van de gebeurtenissen over. Maar volgens de Azteekse bronnen werd Moteuczoma door de Spanjaarden gewurgd.

Bernal Díaz beweert dat de Spanjaarden de hoofdstad daarna ontvluchtten in de nacht van de negende op de tiende juli 1520. Na hun vlucht om de noordelijke meren heen moesten de verslagen en opgejaagde resten van Cortés' leger slag leveren bij Otumpan tegen een Azteekse strijdmacht die hen de pas had afgesneden. Bernal Díaz schrijft dat die slag op 14 juli plaatshad, Cortés dateert deze op 7 juli. De Azteken noemen deze slag naar de plek waar die plaatsvond: Tonan ixpan. Zij geven in hun kalenders voor de noche triste een datum die overeenkomt met de nacht van 30 juni op 1 juli 1520 en voor die van Tonan ixpan het equivalent van de 7e juli, dezelfde dag die ook Cortés noemt. Ook hier was een noot van de vertaalsters op zijn plaats geweest.

Tot slot nog een paar kritische opmerkingen: de uitgever had voor dit boek geen omslag moeten ontwerpen met daarop de grote afbeelding van de Azteekse vorst Netzahualcoyotl, die al in 1472 stierf, een halve eeuw vóór de komst van de Spanjaarden. De vertaalsters hebben voorts het waagstuk geleverd Bernal Díaz' spelling van Azteekse woorden te verbeteren. Dat is bij een aantal bekende Azteekse namen, zoals Cuauhtemoc, goed afgelopen, maar bij andere niet: ze schrijven bijvoorbeeld Moctezuma in plaats van Motecuzoma of Moteuczoma (spreek uit: Motewksoma) en veranderen Tezcucu in Texcoco, terwijl het Azteekse Tetzcuco dichter bij Bernal Díaz' spelling was. En dan het werkelijk nergens op berustende accent op Tepéaca, in plaats van Tepeaca; de klemtoon valt bij alle Azteekse woorden op de voorlaatste lettergreep. Bovendien is een groot aantal niet zo bekende namen helemaal niet verbeterd. In het boek is voorts een kaart opgenomen van het Dal van Mexico in de tijd van de Spaanse verovering, waarin een schaal in `mijlen' wordt aangegeven, waarbij het kennelijk om Spaanse leguas gaat (ruim vijf kilometer). Dit zal voor geen Nederlandse leek duidelijk zijn. De door Netzahualcoyotl aangelegde doorlaatdam in het meer van Tetzcuco is onvertaald aangegeven als Albarrada de N., terwijl `doorlaatdam' toch een heel gangbaar woord is.

Zo zou een Mexicanist nog wel even kunnen doorgaan. Maar laten we niet flauw doen. De uitgave is verder mooi en goed verzorgd, en van harte aan te bevelen voor iedereen met historische belangstelling voor de vroege en koloniale geschiedenis van Mexico.

Bernal Díaz del Castillo: De Ware Geschiedenis van de Verovering van Nieuw-Spanje. Uit het Spaans vertaald door Margriet Muris en Marga Greuter.

Bert Bakker, 864 blz. ƒ75,-