Tegen het plafond geplakt

Op 10 juli 1985 ontplofte een tijdbom in een schip in de haven van Auckland, Nieuw-Zeeland. Eén lid van de bemanning, de Nederlandse fotograaf Fernando Pereira, verdronk. Het schip was de Rainbow Warrior van Greenpeace, en de aanslag bleek te zijn gepleegd door de Franse geheime dienst, die wilde verhinderen dat de milieu-activiteiten zich naar Moruroa in de Stille Zuidzee zouden begeven, waar de Fransen kernproeven uitvoerden.

Het bevel over de operatie werd gevoerd door een Franse agent en kikvorsman, de 34-jarige kapitein Alain Mafart. Samen met zijn compagnon, Dominique Prieur, werd hij gepakt, zodat we nu weten dat de Franse staat de buitenlandse politiek ook als jachtterrein voor geheim agenten beschouwt. In het onderzoek dat op de aanslag volgde, bleek, ondanks vele pogingen van de Fransen om de toedracht te verdonkeremanen, de betrokkenheid van de hoogste functionarissen bij dit geval van staatsterrorisme.

De schaarse mededelingen van de Franse overheid zijn nu aangevuld met Mafarts eigen verslag van de aanslag. Na zijn afscheid van de dienst wilde Mafart zijn verhaal over `het karwei' wel kwijt. Mafart is het type man dat in Frankrijk grote vertedering oproept: van goeden huize, sportief, op zijn tijd een drankje en een `petite amie', een deugniet die zichzelf de discipline van een militaire carrière voorschreef, loyaal tegenover zijn meerderen en vrienden. Hij zat vanaf 1969 in het leger, en behoorde met zijn militaire specialiteiten – parachute springen en diepzeeduiken – tot de paradepaardjes van de Franse geheime dienst. Het boek wijdt gretig uit over de kameraadschap tijdens de zware opleidingen en over Mafarts zwak voor walvissen en primitieve volken. Het is het soort gratuite exotisme waar het kolonialisme altijd munt uit heeft geslagen. In 1978 krijgt Mafart een voorproefje van het echte werk wanneer hij als paratrooper in Katanga, Kongo, de Franse belangen veilig moet stellen.

De aanloop naar de tragikomedie in Nieuw-Zeeland is het meest onderhoudende deel van Mafarts memoires. De agent beweert dat de verkiezing van de socialist Mitterrand tot president in mei 1981 de geheime diensten danig in de war bracht. De linkse regering verdacht het spionage-apparaat van reactionaire sympathieën, en haalde de bezem door het personeel. Maar uiteindelijk bleek ook het mitterrandisme een variant van het Franse chauvinisme. Bovendien bracht het internationale terrorisme in de jaren tachtig het linkse regime op vriendelijker gedachten over contra-spionage. Nog midden in de reorganisatie werden de diensten onder druk gezet om hard op te treden, een taak waar ze volgens Mafart niet op berekend waren. Ook de acties van Greenpeace in de Stille Zuidzee tegen de force de frappe, het atoomwapen, vielen volgens Frankrijk onder de noemer van het terrorisme. De regering-Mitterrand vermoedde dat Greenpeace door de CIA werd betaald om het atoomprogramma te doorkruisen. Mafart schrijft dat hij van meet af aan aan de voorbereidingstijd voor de operatie te kort vond, en de voorgeschreven middelen te grof. In drie maanden tijd moest in een ver, onbekend land een schip tot zinken worden gebracht, oftewel `tegen het plafond geplakt', zoals de term luidde. Zijn reserves beletten Mafart niet het bevel op te volgen, maar dient in zijn boek wel als een excuus voor de dood van Pereira en de arrestatie van de agenten. Een lokale eigenaardigheid waar de Fransen bijvoorbeeld geen rekening mee gehouden hadden was de sterke burgerzin van de Nieuw-Zeelanders: verdachte figuren worden daar aan de politie gerapporteerd. In Frankrijk beschouwt het publiek zulke voorzorg als collaboratie met de vijand: de overheid.

`Opération Satanique' voltrok zich volgens plan, maar met de Rainbow Warrior werd ook de Franse staatsraison ten overstaan van de wereld `tegen het plafond geplakt'. De agenten liepen tegen de lamp en werden veroordeeld tot tien jaar opsluiting. Mafart toont in zijn boek geen greintje berouw over de dood van Pereira, en de klaagzangen over zijn lot in de gevangenis in Nieuw-Zeeland zal men schouderophalend lezen. Temeer omdat de straf van korte duur was: al in 1987 waren Mafart en Prieur dankzij een combinatie van economische chantage en politieke druk weer terug in Frankrijk. De agent hervatte zijn werk, en nam pas in 1994, `sans rancune', afscheid van de dienst.

Als tegenwicht van dit staaltje schaamteloze Realpolitik is het raadzaam het boek van Leo Bersee te lezen. Een avontuurlijk jongensboek. De schrijver is stuurman geweest op verschillende schepen van Greenpeace, en heeft dus met kennis van zaken de jonge Paul aan het roer gezet van de Rainbow Warrior II, die opstoomt naar Moruroa.

Ditmaal, in 1995, wil de kersverse president Chirac met een nieuwe serie atoomproeven bewijzen dat hij niet voor Mitterrand onder doet. En voor de Rainbow Warrior II is de tocht behalve goed werk natuurlijk ook een revanche. De Franse marine bedreigt en beschadigt het schip wel, maar deze keer blijft een ramp uit, en tenslotte blaast Chirac de proeven af. Niet in de laatste plaats dankzij de idealistische vrijbuiterij van Greenpeace.

Het boek vertelt over de inwijding van een jongen in de lelijke wereld van de politiek, en natuurlijk in de schoonheid van de grote zee en haar bewoners. Ook Mafarts herinneringen laten zich lezen als een Werdegang, maar dan in de zin van Sartre's novelle l'Enfance d'un chef (1939), dat de genese volgt van een fascist van binnenuit.

Alain Mafart: Carnets secrets d'un nageur de combat. Du Rainbow Warrior aux glaces de l'Arctique.

Albin Michel, 254 blz. ƒ42,15

Leo Bersee: Greenpeace naar Moruroa. Fontein, 168 blz. ƒ24,90