Schoner dan zijn voorbeelden

Het is jammer dat het zeven jaar geduurd heeft voor Jean Pierre Rawie weer met een dichtbundel kwam. Maar een verrassing is het niet. Zijn gedichten zijn zo vergeven van vergankelijkheidsbesef en een gevoel van ijdelheid, dat de boeken van Prediker en de klaagzangen van Jeremia er bij afsteken als een vrolijke frisdrankreclame. Wie verwacht er binnen een jaar een nieuwe bundel bij een dichter die een decennium geleden in Woelig stof schreef:

en in wat er gezegd wordt om mij heen

heerst als vanouds dezelfde flauwekul.

Men moet het mij maar niet ten kwade

duiden

dat ik mij meer en meer in zwijgen hul.

Daar komt bij dat Rawie tot het uitzonderlijke soort dichters behoort dat, aangestoken door een symbolistisch verlangen naar dat ene, absoluut volmaakte gedicht, de kliekjes en het bijwerk uit zijn bundels weert. Wat je ook van deze dichter vindt, hij speelt hoog spel. `Het lijkt vergeefs', zo besloot hij een sonnet uit Onmogelijk geluk,

[...] maar eens hervinden al

de woorden hun oorspronkelijke waarde

die hun getal oneindig overstijgt,

wanneer mij het gedicht gelukken zal,

en deze doelloos wentelende aarde

haar vaste plaats in het heelal herkrijgt.

Zo iemand scheidt niet elk jaar een nieuwe bundel af.

Het fascinerende in Rawies poëzie is dat hij zich in deze pogingen niet, als de symbolisten destijds, in hermetisch taalgebruik verschanst, maar dat hij zich in doodgewone, zij het soms wat archaÏsche woorden uitdrukt. Zijn gedichten staan, ook door hun vormvastheid, in de traditie van Nijhoff en Bloem (en Rilke), terwijl hun eigenlijke afkomst, de ironische sonnettenschrijverij uit de jaren zeventig, langzaamaan in het verleden wegzinkt.

Het net verschenen Geleende tijd biedt geen verrassingen: de 16 gedichten en 15 vertaalde verzen zijn meer van hetzelfde. Maar datzelfde getuigt opnieuw van een perfectionisme en een taalbeheersing, die juist door dat gewone woordgebruik en de strakke vorm overtuigen.

Het is zo geraffineerd dat het bijna niet opvalt, op de manier waarop je niet merkt dat je gezond bent – totdat er iets aan je mankeert, en je je plots realiseert hoe wonderlijk het eigenlijk is dat dat ingewikkelde lichaam doorgaans al zijn functies zonder problemen vervult.

Ook in Geleende tijd ziekt de twijfel aan het voortploeteren in een taal die ontoereikend is om de ijzige eeuwigheid onder woorden te brengen.

de zegeningen die ik amper telde

zijn allengs minder voor mij weggelegd.

Het wonder overkomt mij nog maar zel-

den

dat ik een zin op het bestaan bevecht.

Dat woord `zin' is vast dubbelzinnig: de dichter wil een nieuwe regel en hij verlangt dat de kosmos, al is het slechts een ogenblik, zin, betekenis krijgt.

Het besef van een doelloos universum is niet alleen een modern levensgevoel, maar typisch ook iets van de barok. Eigenlijk is het poëticale achterland van Rawie niet het werk van Nijhoff en Bloem, eerder dat van de Engelse metaphysicals, of van Spaanse dichters als Lopes de Vega en Quevedo. Van klassieke poëzie, die door zijn vormvastheid de vertolking van een snijdend existentieel gemis verdraagt.

Bij Jean Pierre Rawie beperkt de geest van de barok zich niet tot laat zestiende- en zeventiende-eeuwse dichters. Het gaat om een in strenge vorm gegoten stemming, die hij evenzeer bij dichters uit eerdere en latere tijden ontwaart. Dit valt op te maken uit de vertalingen die hij al sinds jaar en dag achter in zijn bundels opneemt. Deze vertalingen volgen het origineel weliswaar nauwgezet, maar tegelijkertijd sluiten ze moeiteloos aan bij wat Rawie schrijft en je zou ze soms voor gedichten van hem zelf aan kunnen zien als je niet beter wist.

Hierin schuilt ook de functie van die vertalingen. De ambities van dit dichterschap passen niet in de Nederlandse poëzie van nu, al valt dat in de ongekende plurifomiteit van deze dagen wat minder op dan een aantal jaren geleden. Rawie schept met zijn vertalingen een eigen Umfeld, dat zich uitstrekt van (althans in Geleende tijd) de dertiende-eeuwer Giacomo da Lentino tot de Rus Aleksandr Blok uit het begin van deze eeuw. Zijn laatste drie bundels bestaan alle uit drie afdelingen, als vormden die bundels elk een syllogisme, de bekende logische drietrapsraket die op Aristoteles teruggaat. (`Alle dichters zijn sterflijk – Rawie is een dichter – Dus Rawie zal eens sterven'.)

De eerste afdeling is steeds de langste en mag in elk geval daarom de maior heten; dan volgt de tweede als minor, en ten slotte de conclusie in de vertalingen. Anders gezegd: wat Rawie in zijn poëzie uitdrukt, loopt als de logica van een syllogisme uit op wat de groten in de poëzie altijd al beweerd hebben. Ik bedoel dit niet als flauwiteit, die vertalingen zijn cruciaal.

Want het kwetsbare punt van Rawies poëzie is haar kunstmatigheid, de retoriek en het schaamteloos klassieke in zijn werk met clichés als gevolg (woorden als `doodsrivier') of pathos (`aan het einde van de tocht/ komen wij eerst elkander tegen.'). Maar precies door de knappe vertalingen, waarmee hij het eigen werk naast dat van grote voorgangers zet, maak je je er niet zo makkelijk meer van af. Zo bekeken grossieren namelijk ook Petrarca en Shakespeare in clichés en pathos.

Je kunt het werk van Rawie epigonistisch noemen, zijn voorbeelden zijn echter erg goed, en zelf gekozen uit een onmetelijk gebied van vele eeuwen poëzie. En moeten gedichten van deze tijd zijn? Onze postmoderne medemens meent in elk geval van niet. Van hem mogen we ontlenen wat we willen. Toch werkt het bij mij, afgezien van de mij aansprekende barokke melancholie, omdat het technisch zo goed is, wat ook voor de vertalingen geldt. Neem het hierbij afgedrukte gedicht van Góngora (1561-1627). Het gedicht past naadloos in het werk van Rawie, en de vertaling zelf is van hoge kwaliteit. Góngora's gedicht is van – vooruit dan maar – grote schoonheid, een verpletterend vanitas-vers waarbij de haren je te berge rijzen. De Tijd wordt twee keer aangesproken, eerst in zijn schijnbare gedaante van iets wat verdwijnt. Onheilspellend genoeg, want de tijd valt al niet aan de loop van de onmetelijk ver verwijderde sterren af te lezen, sterker nog, waar die sterren elke nacht weer aan de hemel terugkeren is de tijd in het oneindige weggesneld. Dan kantelt het vers en als een valbijl volgt het ware karakter van de tijd, die onveranderlijk blijft omdat ik het zelf ben die in de huiveringwekkende oneindigheid verdwijn.

Rawie's vertaling liegt er niet om. Ik zie dan nog af van het feit, dat rijmwoorden in het Spaans veel makkelijker zijn te vinden dan in het Nederlands, dat Rawie precies het symmetrische rijmschema volgt en dat een nauwkeurige vertaling binnen het kleine bestek van zo weinig korte regels een ongelooflijke toer is. Kijk alleen eens naar de laatste twee regels, waarin de plaats van het woord `Tijd' (vgl. regel 2) gehandhaafd wordt om het nog moeilijker te maken, en waarin dat `onbewogen' het origineel overtreft. Want daar staat dat de tijd degene is die blijft, maar Rawies `onbewogen' onderstreept door zijn dubbele betekenis nog eens de onverschilligheid van de kosmos. En hoe hij het onvertaalbare dubbele rijm - y yo soy el que me voy - uitdrukt in het meesterlijke `ik, ik' middenin de regel, wat niet alleen gerechtvaardigd wordt door het in het Spaans overbodige `yo' (ik) dat de eerste persoon enkelvoud aldus beklemtoont, maar ook doordat de toon precies de lading dekt: ik! ik! ik ga voorbij.

Jean Pierre Rawie: Geleende tijd. Bert Bakker, 64 blz. ƒ35,-