Reiger

De blauwe reiger is ook in de stad alomtegenwoordig. Vier, vijf tegelijk aan een Amsterdams grachtje, dat is geen ongewoon gezicht. Er is in de Jordaan een gracht waar elke middag omstreeks half vier een reiger op het dak van een personenauto komt zitten. Hij gaat pas weg als iemand hem vanaf de tweede verdieping wat voedsel heeft toegeworpen.

Nu is Amsterdam al sinds lang een stad voor reigers. Het zijn er alleen steeds meer geworden dankzij de milde winters van de laatste jaren en een afnemend gebruik van gifstoffen. Ze houden van water en van hoge bomen om in te broeden en misschien ook wel van het gevoel voor humor van Amsterdamse tramcondusteurs. Toch was de reiger een paar eeuwen geleden veel schuwer. Hij meed mensen, want ze joegen veel op hem omdat ze hem een lekker hapje vonden.

De reiger vertederde mij altijd als ik hem in een stedelijke omgeving tegenkwam. Hij zag eruit als iemand die hier toevallig was beland, en er een beetje tegen wil en dank was blijven hangen, want je moet je nu eenmaal aanpassen in het leven. Ik mocht graag naar hem kijken. Vanuit de verte lijkt hij wel een opgezette vogel, een levenloos, kunstmatig geval, een tekening geknipt uit dun, grijzig karton.

Mijn liefde voor de reiger ging zelfs zover dat ik acrobatisch uit mijn raam heb gehangen om een foto van hem te maken, toen hij op een tegenoverliggend flatgebouw een kwartier lang geen veer verroerde. Een standbeeld van onaandoenlijkheid. Het was een wat vage foto, toegegeven, en ik hield er dan ook mee op hem te laten zien, toen mensen zich steeds weer afvroegen of het mijn magere overbuurvrouw was, zonnend op haar dakterras.

Lofzangen op de natuur duren al gauw te lang. Ik schrijf dit stukje dan ook vooral om te bekennen dat er een beetje de klad is gekomen in mijn liefde voor de reiger.

Het is mij overkomen dat ik 's morgensvroeg een paar dotten gelig stofdoek op het plaveisel naast een gracht zag liggen. Dichterbij gekomen zag ik dat het de uiteengereten lijkjes van eendenkuikens waren. Overal bloed, veren en de stilte van de dood.

Ik keek om me heen. Op vijf meter van me vandaan zaten enkele reigers. Ze groetten niet, maar keken met afgewend gelaat naar de gracht. Ze vroegen zich kennelijk af wat ik hier kwam doen, maar ze wilden niet onbeleefd zijn en wachtten rustig af tot ik was opgedonderd.

Langzaam drong de naakte waarheid tot me door. Ik liep naar de overkant van de gracht en stelde me spiedend tussen enkele auto's op. Mijn reigers waren alweer in actie gekomen. Ze stonden met hun lange snavels doelgericht de kuikens in kleinere mootjes te hakken. Ergens vanuit het water kwam het hulpeloos gekwetter van eenden. Ik vloekte. Schoften, riep ik bijna, moordenaars, want als mens blijf je moralist. Een vogelkenner die ik later raadpleegde, hielp me definitief uit de droom: ,,Het zijn echte roofdieren.''

Ook gij, reiger.