Psychotisch idealisme

De wereld mag uiteenvallen, dat betekent niet dat er geen plaats is voor idealisme. Deel 39 in Bas Heijnes serie in het laatste jaar van het millennium.

Ik drink koffie met een filosoof. Hij is Amerikaan en dus een idealist, die twee dingen kan je volgens hem niet los van elkaar zien. Tussen twee espresso's door omschrijft hij zijn filosofie als een persoonlijke variant van het Amerikaanse pragmatisme.

Geduldig verkondigt hij me waar dat op neerkomt: je moet je eigen wereld maken. Daarmee, zegt hij er meteen bij, bedoelt hij niet dat je je hele leven genoeglijk opgesloten kunt blijven in je eigen hoofd, dat de buitenwereld er niet toe doet, aangezien iedereen er nu eenmaal zijn eigen werkelijkheid op nahoudt. Hij bedoelt dat tegenwoordig de grote verbanden weliswaar ontbreken en de wereld hopeloos versnipperd is, maar dat dat geen reden is om zelf ook versnipperd te raken. Het heeft geen zin meer om op te zoek te gaan naar de waarheid, het allesomvattende idee, het vervullende doel waar de mensheid naar dient te streven. De zin van het leven valt niet te ontdekken, die is onzichtbaar of afwezig.

Wat je wel kunt doen is je bestaan zin geven.

Daarin heb je het voor het kiezen, zegt de filosoof, nu stralend van enthousiasme. Het feit dat je de wereld hebt leren zien als een ongrijpbaar fenomeen waarover in laatste instantie niets definitiefs te zeggen valt, wil niet zeggen dat je er geen persoonlijk idee over de wereld op na kunt houden. Het besef dat het bestaan niet onderhevig is aan morele wetten die onvergankelijk en onveranderlijk zijn, wil niet zeggen dat je er geen persoonlijke moraal op na kunt houden. En nu in het westen alle grote religieuze of ideologische gemeenschappen uiteengevallen zijn of in staat van ontbinding verkeren, wil dat zeggen dat de mens zijn gemeenschapsgevoel voorgoed kwijt is?

Nee. Onzin. Het staat je vrij een eigen gemeenschap te vormen. Je weet dat die gemeenschap geen absolute waarden vertegenwoordigt, maar dat maakt je bestaan nog niet vrijblijvend. Het blijft de moeite waard te streven naar gelijkwaardigheid, minder armoede, goed onderwijs. Er is niks belachelijks aan wanneer je gelooft in burenhulp en broederschap en naastenliefde, ook al weet je dat er geen God of overheid is die dat predikt.

Nietzsche wist dat de mensheid na de dood van God de woestijn ingestuurd zou worden, overgeleverd aan waanbeeld en wanhoop, vervuld van onvervulbare verlangens, op zoek naar onophoudelijke zelfbevrediging. Allemaal uitgekomen, kijk maar om je heen.

De filosoof zucht. Het idealisme heeft een slechte naam gekregen. In Amerika krijgen de meeste mensen een rood waas voor hun ogen wanneer je over de jaren zestig begint, maar hijzelf heeft veel aan de idealistische beweging van die jaren te danken. De persoonlijke bevrijding, de gemeenschapszin die niet langer van bovenaf wordt gedecreteerd, maar die spontaan is, die voortkomt uit een innerlijke behoefte; dat zoveel idealen uit die tijd gecrasht zijn tegen de muur van de realiteit, wil dat zeggen dat je ieder idealisme bij voorbaat als verdacht moet zien? De filosoof haat het cynisme van deze tijd. Hij spuugt op de verwaten wereldsheid van mensen die zich koesteren in de gedachte dat je nergens meer in kunt geloven. Je kunt niet achterover leunen en het leven aan zichzelf overlaten, zegt hij fel. Je zult er een vorm voor moeten bedenken. Er moet gewerkt worden aan de wereld.

Hij schrijft er op dit moment een boek over, heel dik wordt het. De universiteitsuitgeverijen van Princeton en Harvard vechten erom.

Ik luister naar hem en wil het met hem eens zijn, en bijna lukt me dat ook. De grote vragen blijven onbeantwoord, het leven is zijn bestemming kwijt, enzovoort, maar dat is geen reden tot wanhoop en waanzin. De grote wereld kan worden verruild voor een kleine, overzichtelijk en hanteerbaar. Niet mega, maar mini. Een microkosmos zoals de Italiaanse auteur Claudio Magris die beschrijft in zijn reisboek Microcosmi: geen wereldrijk of natiestaat, maar een kleine gemeenschap, bijeengehouden door een besef van tijd en plaats en traditie.

Wie ontworteld is, kan zich opnieuw wortelen. De betekenis van het leven schuilt niet langer in de abstracte, overkoepelende idee, maar in het menselijke detail, de relatie met je medemens, de opvoeding van je kinderen, in de liefde voor je werk, in de zorg voor je omgeving, in persoonlijke hartstochten. Je kunt beter een goede klaarover voor de schoolkinderen in de buurt zijn, dan je leven wijden aan de wereldwijde klassenstrijd.

Het is dus eigenlijk de taak van de mens, zeggen de nieuwe filosofen, zei Multatuli ook al, om mens te zijn. De enige maat is de menselijke maat. Vergeet het heelal, hemel en hel, vergeet de radicale politieke ommekeer, vergeet de verlossing. Wees jezelf, maar voor anderen.

Mijn filosoof gelooft erin, in zijn nieuwe, maakbare wereld, zonder een zweem van cynisme. Het is een mooi gezicht. En eigenlijk, probeer ik mezelf te overtuigen, ziet mijn eigen leven er ook zo uit. Een leven zonder leidende gedachte, zonder geloof of bestemming – en toch is zoveel me oneindig dierbaar, toch geven een massa hoogstpersoonlijke gevoelens, gedachten en hartstochten dat leven zoveel betekenis dat de gedachte aan de dood panische angst inboezemt. Er valt veel te zeggen voor zijn pragmatische levensvisie, denk ik bij mijn vierde kop koffie, en ook voor de humanistische visie van Magris.

En toch. Kleine gemeenschappen die bijeengehouden worden door plaats en tijd en traditie – dat doet je onwillekeurig aan het voormalige Joegoslavië denken. Er wordt vaak over de burgeroorlogen daar gesproken alsof die voortkomen uit een fossiel nationalisme, een achterhaald bloed-en-bodem gevoel; en steeds weer hoor je hoe eigenaardig het is dat dezelfde mensen die hun buren vermoorden Ray-Ban zonnebrillen dragen, naar Madonna luisteren en het nieuws op CNN zien, kortom, volledig lijken te zijn opgenomen in de global culture. Hoe kunnen ze tegelijkertijd zo modern zijn en zo primitief?

Maar misschien zijn de ex-Joegoslaven juist bij uitstek van deze tijd. Ze komen in ieder geval aardig in de buurt van de nieuwe mens zoals mijn Amerikaanse filosoof die schetst. Ze zijn ideologisch ontkerstend en teruggeworpen op hun gemeenschapsgevoel. Maar waar hij denkt dat ze klaarover voor hun kinderen moeten gaan spelen, grijpen zij naar knuppels en geweren om mensen die buiten hun gemeenschap staan te verjagen of uit te roeien. Hun nationalisme lijkt psychotisch, de hysterische reactie van mensen die ieder geloof of zinvolle overtuiging uit handen is genomen. De reactie van mensen die aan zichzelf zijn overgeleverd.

Waar mijn filosoof kleurrijke straten voor zich ziet vol spelende kinderen en hulpvaardige buren, dringt zich aan mij het beeld op van stukgeschoten huizen en stapels lijken. Beide beelden zijn reëel, ze bestaan. Maar waar mijn pessimistisch beeld tot een gemakzuchtig cynisme leidt, als ik niet in staat ben een hoopvolle verwachting over een betere toekomst te koesteren, zo overtuigt het rooskleurige beeld van de filosoof pas wanneer het van scepsis doortrokken is. Als de jaren zestig, en eigenlijke deze hele eeuw, hem iets hadden moeten leren, dan was het dat idealisme nooit meer hetzelfde zal zijn.

Ik sta op het punt hem dat te zeggen, maar houd mijn mond. Hij moet eerst zijn boek afmaken.