Prins Claus: maak van ontvangers geen outsiders

Nederland geeft vijftig jaar ontwikkelingshulp. Prins Claus pleit ter gelegenheid van het jubileum voor minder betutteling.

,,Ik heb nooit een missionaris in mezelf ontdekt, die het vliegtuig nam om de mensen in Afrika, Azië of Latijns Amerika beter te maken. Maar als wij hun niet een deel van de rijkdom in dit deel van de wereld gunnen, komen ze met miljoenen hierheen. Ik ben niet bang voor zwarte of gele mensen, maar je moet je dat wel realiseren.''

Dat zegt prins Claus, bijzonder adviseur van minister Herfkens en inspecteur-generaal Ontwikkelingssamenwerking, in het gisteren verschenen oktobernummer van het blad Internationale Samenwerking. In het IS-interview, gemaakt wegens de viering van vijftig jaar Nederlandse ontwikkelingshulp, pleit Claus voor meer zelfontwikkeling van ontwikkelingslanden, onder meer door verruiming van hun exportmogelijkheden, en minder regels en betutteling van de kant van de donorlanden.

,,Er is donorbemoeienis met alles. Ik ben wars van alle donor-, euro- en Nederland-centrisme. Het begrip ontwikkelingssamenwerking strooit zand in de ogen. Een Afrikaanse vriend zei me ooit; 'on ne développe pas, on se développe', zegt Claus. De prins, zelf ooit als jong Duits diplomaat actief op het gebied van de internationale hulp, waarschuwt ervoor outsiders te maken van hulpontvangers door hun culturele eigenheid te miskennen in op zichzelf goedbedoelde projecten. Hij vraagt te begrijpen dat parlementaire democratie in ontwikkelingslanden soms eerder etnische dan ideologische scheidslijnen zal vertonen.

Morgen nemen koningin Beatrix en Claus met premier Kok en minister Herfkens in het Tropenmuseum te Amsterdam deel aan de officiële viering van 50 jaar Nederlandse ontwikkelingshulp, die 3 oktober 1949 begon met vier ambtenaren en anderhalf miljoen gulden technische hulp. Sindsdien gaf Nederland 115 miljard uit aan hulp, viermaal het bedrag dat de overheid nu jaarlijks besteedt aan gezondheidszorg (of tienmaal de kosten van de Betuwelijn).

Nederland is vandaag een van 's werelds koplopers met een budget van 0,8 procent van het nationaal inkomen, ofwel 6,7 miljard (VN-norm: 0,7 procent). Eind jaren zestig trok Nederland onder de toenmalige CHU-minister Udink zelfs 1 procent uit voor hulp, waarbij vooral de grote confessionele partijen (KVP, ARP en CHU) en de PvdA voor het politieke draagvlak zorgden. In 1965 kreeg het bij Buitenlandse Zaken ondergebrachte Ontwikkelingssamenwerking zijn eerste eigen minister in de persoon van de KVP'er Theo Bot. In de geschiedenis van de Nederlandse hulp heeft de uit de CHU afkomstige PvdA'er Jan Pronk een grote rol gespeeld. Pronk, die zichzelf steeds ,,niet gedreven of bevlogen maar deskundig'' noemt maar door anderen vaak als vertegenwoordiger van de ,,neo-ethische politiek'' van een vroegere koloniale macht wordt beschouwd, was dertien jaar minister op Ontwikkelingssamenwerking (1973-'77 en 1989-'98). Tijdens Pronks eerste ministerschap, in het kabinet -Den Uyl, raakte het thema ontwikkelingshulp door de politieke polarisering van die jaren even sterk gepolitiseerd, maar daarvan hebben Pronk en zijn opvolgster, partijgenote en vroegere mede-activiste Herfkens, afstand genomen.

Herfkens wil naar een sterkere internationalisering van de geldstroom naar de Derde Wereld. Via het IMF en de Wereldbank bijvoorbeeld. Dat de Nederlandse hulp in 2049 een eeuwfeest in de bestaande vorm zal beleven gelooft zij niet. ,,Laten we niet doen alsof het nog vijftig jaar zal bestaan. Het was altijd bedoeld als aflopend. En wat er fout is gegaan in deze bedrijfstak, is dat er een soort eeuwigheidsgedachte is ontstaan'', zei zij onlangs.

Wie wil kan de bijeenkomst morgen in het Tropenmuseum trouwens toch enigszins zien als de viering van bijna een eeuw bezorgdheid van een calvinistisch land over het lot van de bewoners van de Derde Wereld. Want wat zei koningin Wilhelmina, Claus' `schoon-grootmoeder', in de Troonrede van 1901? ,,Als christelijke mogendheid is Nederland verplicht in den Indischen Archipel de rechtspositie der inlandsche christenen beter te regelen, aan de christelijke zending op vaster voet steun te verlenen, en geheel het regeringsbeleid te doordringen van het besef, dat Nederland tegenover de bevolking dezer gewesten een zedelijke roeping heeft te vervullen.''