Ontwerpen als vak

Weinig architecten valt de eer te beurt in zo'n groot aantal huishoudens met werk vertegenwoordigd te zijn als Mart van Schijndel: overal kom je zijn uit drie glasvlakken bestaande `Delta'-vaas tegen. Het even slimme als simpele ontwerp voor deze vaas uit begin jaren tachtig karakteriseert tevens de architectuur van Van Schijndel, een laat-Modernist met schwung, die gisteren in zijn woonplaats Utrecht overleed. Amper drie weken eerder was hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Van meet af aan heeft Mart van Schijndel het ontwerpen als zijn vak beschouwd, of het nu een vaas of een stoel of een gebouw was. Hij werd opgeleid als timmerman en meubelmaker, en ging daarna naar de Rietveldacademie. Eind jaren zestig begon hij zijn eigen bureau; hij gaf les aan diverse instellingen in Nederland en was sinds enige jaren ook hoogleraar aan de Fachhochschule in Düsseldorf. Hij heeft onder andere een pand voor het bedrijf Lumiance in Haarlem ontworpen, twee gebouwen voor de universiteit in Utrecht en de verbouwing van het instituut voor kunstzinnige vorming LOKV. Een van zijn bekendste projecten was de uitbreiding, midden jaren tachtig, van het Centraal Museum in Utrecht, inclusief een aula van zwart glas. In 1990 probeerde Van Schijndel zijn leermeesters Rietveld en Aldo van Eyck van zich af te schudden met de bouw van een effectenkantoor aan het Rokin, een postmodernistische oprisping met timpaan en groen glas dat in zowel de straatwand als in zijn eigen werk uit de toon viel.

Een hoogtepunt in zijn oeuvre – dat bij het grote publiek veel minder bekend is – is het woonhuis dat hij voor zichzelf ontwierp op een haast verborgen binnenplaats aan het Utrechtse Pieterskerkhof. Hiervoor kreeg hij in 1995 de Rietveld Prijs van de stad Utrecht. Het huis is verstild aan de buitenkant, licht en open aan de binnenkant dankzij de ingenieuze verweving van de binnenruimtes met twee patio's voor en achter. Zijn niet aflatende belangstelling voor technische innovatie was ook hier te zien. De glazen deuren van de keukenkastjes hingen aan scharnieren van siliconenkit, de deuren naar de patio draaiden op schijnbaar onmogelijke hoeken open.

Midden jaren negentig raakte hij in conflict met het Centraal Museum. Van Schijndel was het niet eens met de geplande sloop van zijn glazen aula en spande een bodemprocedure aan. Het ironische ervan is dat de aula plaats moest maken voor een paviljoen voor de door hem zo bewonderde Gerrit Rietveld.

Als Mart van Schijndel over zijn werk sprak, haalde hij vaak het onderscheid aan dat de Engelse taal maakt tussen room en space. Het eerste is statisch en begrensd, het tweede beweeglijk en ongevormd. Over zichzelf zei hij dan: ,,Ik ben een room-architect met een toefje space.''