Jonge schilders houden van mensen en dieren

Wat de Koninklijke Subsidie ieder jaar weer tot een aangename gebeurtenis maakt is dat de toeschouwer in kort bestek een overzicht krijgt van wat jonge schilders van dat moment bezighoudt. Minder aangenaam is, dat die thema's alweer jaren hetzelfde zijn. Nu er geen dominante avantgarde meer is en de schilderkunst al jaren niet meer hip en trendy, haken veel jonge schilders al dan niet bewust aan bij de pop-cultuur. Dat betekent dat voor de meeste kunstenaars op de Koninklijke Subsidie, die wordt uitgereikt aan schilders onder de 35 jaar, abstractie not done is, dat de verf er niet al te dik wordt opgesmeerd en dat er vaak een mens of dier op hun doeken voorkomt.

Natuurlijk zijn er op deze Koninklijke Subsidie een paar uitzonderingen op die tendens, maar die bieden weinig verlichting. Zo schilderde André Wiehager zijn ene, grote doek op de tentoonstelling strak en glanzend groen; alleen aan de linkerkant liet hij een stukje open om daar flarden van een poëtische tekst over een vijver neer te zetten.

Nog onorthodoxer, maar ook flauwer is de bijdrage van Jacco Olivier; hij exposeert een foto waarop een detail van een schilderij is te zien. Tussen al het linnen ziet dat er gewaagd uit, maar het is al zo vaak gedaan dat de toeschouwer er schouderophalend langs loopt.

Dat is het nadeel van meer werk op deze `Koninklijke': het is te onvolgroeid, lijdt vaak aan epigonisme, zodat je als toeschouwer aan andere kunstenaars moet denken. Zelfs drie van de vier winnaars, die allen vandaag uit handen van koningin Beatrix een subsidie van 10.000 gulden ontvingen, ontkomen daar niet aan. Robbert-Jan Gijzen valt bijvoorbeeld op doordat zijn werk én abstract én dik geschilderd is, wat hem op de expositie tot een eenling maakt. Dat zou zijn werk sympathiek maken, als het niet zo vreselijk op dat van Avery Preesman zou lijken – zelfs het strooien met rijstkorrels stemt overeen.

Ook twee andere winnaars staan nog niet volledig op eigen benen, al behoort hun werk tot het betere op de tentoonstelling. Frederika Hasselaar presenteert zich met haar bij elkaar geraapte en over elkaar geschilderde objecten als een droog-schilderende David Salle; Joris van der Horst probeert in zijn doeken te spelen met lucht en weerspiegeling, maar doet dat niet erg overtuigend.

De enige uitzondering op deze matheid is Gé-Karel van der Sterren, de vierde winnaar. Van der Sterren geniet al enige bekendheid (onlangs exposeerde hij nog in het Fries Museum) en zijn twee doeken bewijzen meteen waarom. Van der Sterren werkt graag met felle kleuren, smeert de verf er soms duimendik op en balanceert daarmee permanent op de rand van kitsch. Bij N.V.T (1998) duikelt hij daar grandioos overheen: het doek is een orgie van kleuren, kolibries en bloemenslingers, waarvan de laatsten soms met centimeters dikke klonten op het doek zijn gezet.

Zijn tweede bijdrage, N.V.T. (1999), is daarentegen een prachtig doek. Het laat een enorm roze speelgoedkonijn zien, dat leunt tegen een hekje. Onder het beest ligt een schaar. Dan valt op dat het konijn vol sneden zit, zonder dat hij daar last van lijkt te hebben – er puilt geen wol uit het beest en er hangen ook geen lappen van zijn lijf.

Van der Sterren heeft alleen het oppervlak van het doek met een mes bewerkt, en hoewel het konijn daar in tweede instantie niet door is geraakt ziet het geheel er toch tragisch uit, wat wordt versterkt doordat er op de afgebeelde schaar nog wat roze verf zit. Door die humoristische en spannende wisselwerking tussen verf en illusie is N.V.T. (1999) het pronkstuk van de expositie, die daarmee meteen van de vervlakking wordt gered.

Tentoonstelling: Koninklijke

Subsidie. Paleis op de Dam, Amsterdam. T/m 31 okt.

Dag. 11-17.30u.