`Het beeld van India is heel eenzijdig'

De romans van de Brits-Indiase auteur Amit Chaudhuri zijn in Engeland overladen met prijzen. `De willekeurige dingen in het leven zijn belangrijker voor mij dan de zogenaamde Grote Gebeurtenissen.'

``Ik ben niet bepaald gelukkig met het westerse concept van de Great Indian Novel,'' verzucht de Brits-Indiase auteur Amit Chaudhuri (Calcutta, 1962). Chaudhuri's eigen romans lijken dan ook in niets op de vuistdikke, extraverte, allesomvattende werken van schrijvers als Salman Rushdie of Vikram Seth waarmee de `grote Indiase roman hier vooral geassocieerd wordt'. Zijn oeuvre bestaat uit drie dunne boekjes, die samen met gemak in een halve Seth zouden passen. Plot en drama zijn daarin ondergeschikt aan een vaak dromerige sfeer en subtiele impressies: in elegante, lyrische zinnen smeedt Chaudhuri herinneringen en losse momenten samen tot een gefragmenteerd maar evocatief geheel.

In zijn eerste roman, A Strange and Sublime Address, beschreef hij de belevingswereld van een klein jongetje in Calcutta, in zijn tweede, Afternoon Raag, de ervaringen van een Indiase student in Oxford. Beide boeken werden in Groot-Brittannië met prijzen overladen. Chaudhuris derde roman, Freedom Song, gaat over twee met elkaar verbonden families in Calcutta. Ter gelegenheid van de zojuist verschenen Nederlandse vertaling, Vrijheidslied, kwam de auteur naar Amsterdam voor een interview. In zorgvuldig gekozen, soms wat academisch getinte bewoordingen vertelt Chaudhuri, die tot voor kort literatuuronderzoek deed aan de universiteit van Cambridge maar zich nu volledig aan het schrijven wijdt, waarom hij een breder begrip van Indiase literatuur bepleit:

``Rushdie heeft weliswaar de weg vrijgemaakt voor een hele nieuwe generatie Indiaas-Engelse auteurs, maar het gevolg daarvan was ook dat het Westen een heel eenzijdig beeld heeft gekregen van `de Indiase roman: een enorm bouwwerk waar alle streken van het land en lagen van de bevolking in werden verweven, liefst op magisch-realistische wijze. Vooral de enorme populariteit van het magisch realisme leidde tot een irritante, a-historische visie op Indiase literatuur als het `andere, irrationele, onderbewuste, terwijl de klassieke Indiase literatuur juist ook sterk realistische tradities kent. Bovendien houdt het overgrote gedeelte van de Indiase literatuur, geschreven in verschillende streektalen, zich voornamelijk bezig met regionale en met specifieke onderwerpen, niet met de hele natie.

``De romans die ik schrijf,'' vervolgt Chaudhuri, ``zijn echter niet zozeer een reactie tegen dit soort literatuur, als wel tegen een bepaald intellectueel klimaat in het westen, de tobberige, navelstaarderige cultuur van de jaren 70 met zijn egocentrische protagonisten. Ik wilde van die individualistische focus af, naar een diffusere en ook zinnelijkere blik op de poëzie van het bestaan.'' Die blik vond Chaudhuri niet in de romans van zijn tijdgenoten, maar wel bijvoorbeeld in het werk van Virginia Woolf, D.H. Lawrence, en de films van Jean Renoir en Satyajit Ray.

Inderdaad is de invloed van Woolf duidelijk aanwezig in Vrijheidslied, dat verschillende personages volgt in hun alledaagse beslommeringen. Zo is daar de 65-jarige Khukhu, haar gepensioneerde echtgenoot Shib en haar levenslange vriendin Mini. Het gezin van Khukhus broer Bhola vormt de andere spil van de roman, met als belangrijkste gegeven de pogingen van de familie om een geschikte echtgenote te vinden voor zoon Bhaskar. Niet alleen is deze Bhaskar weinig ambitieus, ook doet hij aan politiek straattheater en zet hij zich in voor de communistische partij, tot grote schrik van zijn ouders die zijn huwelijkskansen hierdoor zien kelderen. Geen van de personages krijgt de overhand en de verhaallijn neemt zodoende een episodische, elliptische vorm aan.

``Ik wil niet één van mijn personages of gebeurtenissen centraal stellen in mijn werk,'' zegt Chaudhuri hierover. ``Ook bijvoorbeeld het straatleven en bepaalde geluiden zijn personages in mijn romans, en komen steeds weer terug. De willekeurige dingen in het leven zijn belangrijker voor mij dan de zogenaamde Grote Gebeurtenissen. I shy away from the significance of things that are supposed to be significant. En ik hou van een zekere mate van onafheid.''

Chaudhuri verklaart verder gefascineerd te zijn door beweging en verandering, en dan met name in de Indiase middle classes. ``De opkomst van een Indiase bourgeoisie is voor ons één van de belangrijkste ontwikkelingen van de eeuw geweest. Deze nieuwe klasse is bepalender geweest voor het aanzicht van de moderne Indiase maatschappij dan het oude kastensysteem. Enerzijds is deze klasse gevormd door het culturele klimaat van de Bengali Renaissance, waarvan Tagore een exponent was, en het bijbehorende liberale, humanistische, burgerlijke ethos. Anderzijds is er de diepe impact van de westerse cultuur.

Wat betekent het eigenlijk om Indiaas te zijn? Voor Chaudhuri blijkt het de hamvraag. ``De Indiase identiteit wordt doorgaans geïnterpreteerd aan de hand van een paar cliché-beelden en -symbolen, maar is in wezen complex en ongrijpbaar. Een enorm scala aan invloeden is geassimileerd in de moderne Indiase psyche, en dat heeft weinig te maken met koloniaal versus post-koloniaal. Een Indiër is zo'n hybride persoon dat het niet eens zin heeft om te spreken van de westerse en oosterse ingrediënten van zijn persoonlijkheid. Die zogenaamde westerse invloeden zijn namelijk al lang een deel van zijn eigen geschiedenis, van hemzelf. Als ik bijvoorbeeld denk aan Agatha Christie of The Carpenters, moet ik altijd denken aan Bombay.''

The Carpenters? Chaudhuri: ``Ach ja, The Carpenters maken deel uit van mijn `secret history of easy listening'. Rond mijn twaalfde vond ik ze erg goed, maar ik merkte al heel snel dat je daar nooit voor uit mocht komen. Ik speelde vroeger gitaar, wilde een popster worden, westers zijn. Nu ben ik daar niet meer zo zeker van.'' Tegenwoordig houdt Chaudhuri zich uitsluitend bezig met klassieke Indiase zangvorm khyal. In India treedt hij regelmatig op; Vikram Seth, die zelf ook zingt, is al een paar keer komen kijken. Chaudhuri zegt echter niet bewust beïnvloed te zijn door Indiase muziek bij het schrijven van zijn romans, ondanks zijn titels. ``Er is een duidelijkere analogie met de Indiase miniatuurschilderkunst. Ik denk voornamelijk in beelden.

``De titel Vrijheidslied,'' zo legt hij uit, ``verwijst naar de liederen gecomponeerd door leden van een invloedrijke groep van linkse intellectuelen en artiesten, de Indian Peoples Theatre, ten tijde van de Onafhankelijkheid. Die liederen werden herontdekt door theatergroepen als die van Bhaskar in 92-93, de tijd waarin het boek speelt, en onder andere door hen gebruikt om te protesteren tegen de BJP.'' De verwijzing is typerend voor de heel terloopse manier waarop Chaudhuri politieke en sociale kritiek in zijn roman verwerkt: vooral duidelijk voor lezers die de achtergronden kennen. Chaudhuri wijdt hier een half woord aan de situatie in Kashmir, daar weer een paar zinnen aan de verwoesting van de moskee in Ayodhya, of soldaten op straat. Het opvallendste zijn nog de anti-moslimsympathieën van de bejaarde Khukhu en Mini. Chaudhuri: ``Ik wilde laten zien dat oude vrouwen schokkend kunnen zijn, zonder commentaar te leveren of ze expliciet te veroordelen. Het is bijna een spelletje voor ze, zulke uitspraken te doen. Maar nog schokkender dan hun rechtse sympathieën is voor mij het feit dat álle mensen uit zulke vreselijke tegenstellingen bestaan.

``Ik heb de kritiek gekregen dat ik niet expliciet genoeg over de onaangename kanten van Calcutta schreef. Ik zou mijn ogen sluiten voor de Indiase realiteit. Maar die donkere kanten van de stad komen wel degelijk in het boek voor, al is de toon licht, en trouwens, wat is eigenlijk die Indiase realiteit? De levens die ik beschrijf zijn net zozeer een deel van de Indiase realiteit als alle vuil en armoede van Calcutta.''

Amit Chaudhuri: Vrijheidslied. BZZTôH, Vertaald door Frans en Joyce Bruning, 187 blz. ƒ32,50. Freedom Song, Picador, 198 blz. ƒ24,95. Afternoon Raag. Vintage,

132 blz. ƒ26,50