Grote vissen hebben bodyguards

DUBLIN/NEW YORK – Twee dagen was ik in Dublin om mijn Ierse identiteitskaart op te halen. Het had lang geduurd, maar nu was het zover. De Ierse identiteitskaart was een grijs vodje met een foto van mij waarop ik eruit zag als een verloederde Franse chansonnier.

Waarschijnlijk zijn alle toegangskaarten tot het paradijs grijze vodjes.

In mijn paspoort kreeg ik nog twee mooie stempels: de Ierse verblijfsvergunning. Men kan niet genoeg verblijfsvergunningen verzamelen.

Toen dit allemaal achter de rug was vloog ik terug naar New York.

Wie van Ierland naar Amerika vliegt, wordt al in Ierland gecontroleerd door de Amerikaanse douane. Nog nooit had ik problemen gehad de Verenigde Staten binnen te komen. Men had mij wel eens curieuze vragen gesteld, zoals: ,,Is Aruba een mooi eiland?'' En een douanier in Miami adviseerde mij niet te hard te werken.

De douanebeambte in Dublin nam mijn paspoorten in ontvangst.

Ik heb een Nederlands paspoort met een Ierse verblijfsvergunning, en dan nog een ander paspoort met een visum voor Amerika. Ik streef ernaar nog een diplomatiek paspoort te bemachtigen, het maakt niet uit van welk land, als het maar een diplomatiek paspoort is.

De douanebeambte had iets van een vriendelijke grootvader. Maar wel eentje die in Vietnam had gevochten. En daar nog niet geheel van was bekomen.

Hij bladerde door mijn paspoorten.

,,Je bent journalist?''

,,Ja'', zei ik.

,,En je woont in Ierland?''

Ik knikte.

,,Maar je paspoort is uitgegeven in New York.''

,,Nou ja'', zei ik, ,,ik ben verhuisd.''

,,Wanneer?''

,,Twee dagen geleden.''

Ik had het gevoel dat ik hem aan Vietnam deed denken of iets anders ergs dat hij had meegemaakt. Ik doe mensen vaak aan erge dingen denken.

,,Waarom?''

,,Waarom wat?''

,,Waarom ben je verhuisd?''

,,Vanwege het klimaat.''

,,Het Ierse klimaat?''

,,Ja precies'', zei ik.

,,Heb je een perskaart?''

Voor de krant schrijven mocht wel, maar een perskaart kon er niet vanaf.

,,Ik heb geen perskaart'', zei ik,

,,ik heb er geen nodig.''

Hij fronste zijn wenkbrauwen en pulkte iets onder zijn wijsvingernagel vandaan.

Achter mij werd de rij steeds langer.

,,Waar schrijf je over?''

,,Kunst, theater, boeken, opera, Proust'', zei ik opeens met een stralende glimlach, want het is altijd fijn de waarheid te verkondigen.

De douanier keek steeds vermoeider.

,,Heb je iets bij je waaruit blijkt dat je echt voor een krant schrijft?''

,,Nou nee'', zei ik.

,,Een stuk krant waarin een artikel van jou staat?''

,,Ik ga nooit op reis met mijn eigen artikelen.''

Niet ver achter mij stond een moeder met een kind en ik hoorde haar zeggen: ,,Kijk, die meneer komt er niet doorheen.''

Dat was ik dus, een meneer die er niet doorheen komt.

,,Heb je Amerikaanse creditcards?''

,,Ja'', zei ik, ,,een paar.''

Misschien dacht hij dat hij een grote vis had gevangen.

Ik was geen grote vis. Grote vissen hebben bodyguards.

Als ik naar Den Haag zou gaan om mijn BVD-dossier in te zien, zouden ze zeggen: ,,Meneer, het spijt ons, er bestaat geen dossier van u.'' En dat ik ze dan heel smekend zou moeten aankijken en zou moeten vragen: ,,Kunt u er niet eentje van mij aanleggen, het hoeft geen grote te zijn, met een kleine ben ik ook al tevreden.''

Dat je denkt dat je wordt afgeluisterd is nog gruwelijker dan echt te worden afgeluisterd. Maar vaststaat dat ik sinds een maand of drie merkwaardige klikjes hoor als ik telefoneer. Wie wordt afgeluisterd is niet eenzaam.

,,Dus je woont in Amerika'', stelde de douanier vast.

En hij bladerde verder door mijn paspoort en bekeek alle stempels. Australië, Zuid-Afrika, Peru, Colombia, Marokko, Tsjechië.

,,Je reist nogal veel.''

,,Het is mijn werk'', zei ik.

,,Zorg dat je een perskaart krijgt.''

Toen werd mijn paspoort gestempeld, en hij wilde het al aan mij geven, maar opeens zei hij: ,,Wat doe je eigenlijk in Dublin?''

,,Niet veel'', zei ik, ,,zo min mogelijk.''

,,Tot de volgende keer'', zei de douanier.

Je paspoort wordt, als je uit Ierland reist, niet meer in Amerika gecontroleerd. Maar je koffers nog wel.

Ik had die dag iets op mijn hoofd, het teken van het beest. Toen ik op JFK mijn douaneverklaring afgaf, zei een mevrouw: ,,We nemen je even mee voor een routineonderzoek.'' Zoals bij een dokter. Het begint onschuldig en voor je het weet zit er een tumor in je hoofd.

De man die het routineonderzoek afnam was jong en had het enthousiasme van iemand die zijn werk nog leuk vindt.

,,Het duurt vijf minuten'', zei hij.

Ik glimlachte.

Weer werd er door mijn paspoort gebladerd.

,,Je reist veel'', zei hij.

Onlangs had ik in een chique restaurant naast een ouder echtpaar gezeten. Ze hadden me een tijd aangestaard en opeens fluisterde de man tegen de vrouw: ,,Hij heeft geld, hij wil het alleen niet laten zien.'' Maar wat ik niet wilde laten zien was het overblijfsel van geld, de verleden tijd van geld, die uiteindelijk stukken leger was dan het filosofische niets.

,,En waar woon je?''

Toen maakte ik een fout.

Ik wist opeens zelf niet meer waar ik woonde, in ieder geval niet waar ik officieel woonde.

,,Ik heb geen vast adres'', zei ik.

Hij was al bezig mijn koffer te openen, maar opeens stopte hij. En ik wist dat het van nu af aan geen routineonderzoek meer zou zijn, maar een ander onderzoek. Een grondiger onderzoek.

,,Waarom niet?''

,,Omdat ik veel reis.''

,,En waar ontvang je je post?''

,,In een postbus.''

,,In een postbus'', zei de man van het routineonderzoek. ,,Wat is het nummer van die postbus?

,,635'', zei ik.

,,Heb je nog meer postbussen?''

,,Oh, ik heb er wel vijf'', zei ik.

De ene fout lokte de andere uit, maar ik was trots dat ik zoveel postbussen had. Je moet toch ergens trots op zijn.

,,Je bent journalist?''

Ik knikte.

,,Heb je een perskaart?''

Ik schudde mijn hoofd. Weer legde ik uit waarom ik geen perskaart had. En ik zag mezelf in een klein kamertje telefoneren met een advocaat die niet gestoord kon worden. Een kleine vis, maar toch een vis.

,,Je bent nogal vaak in Amerika'', zei hij, ,,voor iemand die hier niet woont.''

De toegang tot een land worden ontzegd had mij altijd iets geleken dat anderen overkwam. Criminelen.

Ik zweeg. Er bestaat immers een recht op zwijgen.

Mijn koffer werd onderzocht. Er zat niets in mijn koffer. Ja, kleren, vieze onderbroeken, een boek. De douanier ritste mijn kleine koffer weer dicht.

,,Welkom thuis'', zei hij.

Het woord `thuis' had een verdachte klank. Was ik nu thuis? Was dit thuis? Was het niet beter nooit thuis te zijn?

Ik nam een taxi en ging meteen naar het postkantoor, naar mijn postbus. Ik bukte me zelfs om helemaal achterin te kijken, maar de postbus bleef leeg. Bij het loket informeerde ik of er misschien een pakketje voor mijn postbus was aangekomen. Iets groots.

De vrouw achter het loket keek me aan. ,,Niks groots'', zei ze.

Velen passen hun levensstijl aan, aan hun inkomen, maar dat had ik te saai gevonden, te realistisch en ik hield niet van realisme. Ik had mijn levensstijl aangepast aan een zorgvuldig gefabriceerde werkelijkheid. Anderen maakten bommen, ik zette de werkelijkheid in elkaar.

Maar zoals bommen te vroeg kunnen afgaan, zo was er een constructiefout in mijn werkelijkheid geslopen en daardoor was die werkelijkheid veranderd in een nachtmerrie die ik voor mezelf had gebouwd en waar ik nu niet meer uitkwam.

Op de postzegelautomaat zat een advertentie geplakt: `Betrouwbare babysitter gezocht'. In een opwelling scheurde ik het telefoonnummer van de advertentie.

Bijna iedereen leeft wel in een leugen. Een huwelijk dat niet meer functioneert, een baan die er alleen nog maar uit bestaat te doen alsof je werkt. Ik leefde in twintig verschillende leugens tegelijk. En ik hoefde geen astroloog te raadplegen om te weten dat mijn leugens binnenkort zullen barsten als de beurs op zwarte maandag.