Een ladder van spinnendraad

Voor de laatste winteravonden van deze eeuw schreef Paul Biegel een heerlijk dik (voorlees)boek vol sprookjesachtige verhalen, een boek dat eruit ziet zoals het een sprookjesboek betaamt. Het heeft een linnen omslag, waarop de titel prijkt in gouden letters: Laatste verhalen van de eeuw. Bovenaan de evenwichtig vormgegeven pagina's staan prachtige kleine zwart-wit tekeningetjes van illustrator Fiel van der Veen. Het lijken linoleumsnedes, maar daar zijn ze te fijntjes voor. Van der Veen maakte ze met de computer. Het zijn traditionele sprookjesboekenplaatjes, die tegelijk modern zijn.

Dat past goed bij de verhalen. Ook Paul Biegel maakt gebruik van tradities, vertelt verhalen volgens vaste regels, met oude structuren en bekende ingrediënten, maar wijkt daar dan ineens van af. `J'ai seul la clef de cette parade sauvage,' is het motto van het boek dan ook, ontleend aan Les Illuminations van Rimbaud. De lezer staat verbaasd te kijken, als Biegels verhaal niet verloopt `zoals het hoort'.

Pottenbakker Jollema in `De beestenbakker' spreekt nooit een woord. Maar stom is hij niet. Een meisje begint hem te vertroetelen tot hij uitspreekt wat hem dwarszit. Het verhaal lijkt op een goed einde af te stevenen, maar aan het slot is de pottenbakker dood. En het meisje, dat vertelt hoe dat komt, wordt niet gehoord. Volgens de dorpelingen slaat ze wartaal uit.

Paul Biegel, geboren in Bussum in 1925, staat bekend om zijn voorliefde voor pratende dieren, reuzen, heksen en andere sprookjesfiguren. Zijn verhalen doen denken aan de sprookjes van Andersen. De verteller kan nuchter zijn, als in een leerzame klucht of in een fabel, of de sfeer is juist dromerig en beklemmend zoals in Andersens sprookje `De sneeuwkoningin'. Zo'n boek is bijvoorbeeld het inmiddels klassieke De tuinen van Dorr (1969).

In de verhalen die Biegel voorheen schreef won het goede het steevast van het kwade. In deze nieuwe bundel geldt dat niet voor alle verhalen. Af en toe klinkt pure radeloosheid door, alsof de meesterverteller het ook niet meer weet. Het verhaal `Kalàn! Kalàn' is kil van wanhoop. Het beslaat maar een halve pagina. Het begint zo: ``Ze knoopte een ladder van spinnendraad, hoger en hoger, zo hoog als een ladder kan. Toen klom ze met waaiende vleugels naar de top en riep: `Kalàn! Kalàn!' Maar er kwam geen antwoord.' Een `luchtschip van spinnendraad' maakt `ze' dan en een `jas van kiezelstenen' om naar de diepste diepten te zinken. Het mag niet baten. Roepend zwerft ze rond: ``Maar als je zegt: `Wie? Wie is dat? Wie is Kalàn?' dan zwijgt ze en loopt radeloos verder.' Uit is het verhaal.

Biegel is meestal vrolijker, laconieker, lichtvoetiger, zelfs als een verhaal slecht eindigt. Hij kent duizend-en-een manieren om zijn lezers het verhaal in te trekken. Sommige van de Laatste verhalen van deze eeuw zijn bijna interactief. Het leukste is `De toverheksen-theeparade', met een knipoog naar Lewis Caroll. Eulalia de heks gaat koekjes kopen voor haar vriendinnen die op de thee komen. En dan stelt de verteller het volgende voor: `als wij tweetjes nu eens [-] gauw gauw gauw naar haar stiekeme huisje in het verboden bos gaan, door het raam naar binnen klimmen en ons verstoppen in de kast [-]'. Het klinkt gekunsteld, maar Biegel weet het aannemelijk te maken. Je ruikt de mottenballen en de dweil voor je het weet. En de heksen ruiken jou. Het wordt steeds spannender.

Paul Biegel: Laatste verhalen van de eeuw. Met illustraties van Fiel van der Veen. Uitgeverij Holland, 222 blz. Vanaf 8 jaar. ƒ39,90