De dood, de dood tegemoet

Hendrik Marsman, de vitalistische dichter die `groots en meeslepend' wilde leven, sprak in het voorwoord van zijn essaybundel De lamp van Diogenes als credo uit dat hij de mens in de dichter en de dichter in de mens zocht. Uiteraard haalt literatuurwetenschapper Jaap Goedegebuure deze woorden aan in de inleiding van zijn Marsman-biografie. Wat is tenslotte een mooiere doelstelling voor de biograaf van een dichter dan een verband te leggen tussen mens en dichter, tussen leven en werk?

Tegelijkertijd maakt Goedegebuure – in 1981 gepromoveerd op een proefschrift over Marsman als literaire figuur – duidelijk dat zoiets een hachelijke onderneming is, aangezien het niet mogelijk is simpelweg biografische feiten te ontlenen aan werk van de verbeelding. Zelfs als een kunstenaar uitgesproken autobiografisch werk produceert, is hij voor een biograaf nooit te vertrouwen.

Ook Marsman heeft allerlei retouches, verfraaiingen en dramatische wendingen in zijn papieren alter ego's aangebracht en een beeld van zichzelf ontworpen waarin zijn vrienden, critici en lezers zijn gaan geloven. Precies honderd jaar na zijn geboorte op 30 september 1899 – de verschijning van de Marsman-biografie is goed getimed – probeert Goedegebuure dit zorvuldig opgebouwde dichtersimago af te pellen en de de kwetsbare mens Hennie Marsman naar voren te halen. In werkelijkheid was hij, zoals iedereen die zijn poëzie kent al bevroedde, bezeten van doodsangst. Iedere creatieve vitalistische uitbarsting moest deze kwetsbare en au fond eenzame kunstenaar bekopen met depressies en fysieke verzwakking.

Marsmans levensloop laat volgens Goedegebuure een `geforceerde ontwikkeling' zien. Het is, schrijft hij, alsof je hem `met grote hardnekkigheid tegen de stroom ziet oproeien'. Omdat rivieren van het gebergte naar de zee gaan, maar Marsman in de loop van zijn leven de tegenovergestelde route koos, heet de biografie Zee, berg, rivier. Weliswaar zijn dat drie begrippen die ook in zijn poëzie vaak voorkomen, maar op mij maakt zowel de titel als de uitleg ervan een nogal gekunstelde indruk: vrijwel geen dichter die zee, berg of rivier niet als metafoor gebruikt heeft. Hier moeten deze woorden louter dienen om een `lijn' in het levensverhaal te brengen.

Het leven van Hennie Marsman, een keurige burgerjongen uit Zeist, was namelijk niet `geforceerder' dan dat van de meesten van zijn tijdgenoten, die opgroeiden tijdens de Eerste Wereldoorlog, hun vormende jaren beleefden terwijl het fascisme opgang maakte en volwassen werden tijdens de opkomst van nazi-Duitsland. De tijdgeest eiste dat er keuzes werden gemaakt: persoonlijke, levensbeschouwelijke en politieke. Wie afzijdig bleef, koos daarmee ook.

Hennies eerste keuze was – inderdaad – de zee. In de tweede klas van de HBS in Utrecht vertelde hij zijn ouders dat hij wilde gaan varen, maar hij werd afgekeurd wegens zijn zwakke longen. Of de teleurstelling hierover hem parten heeft gespeeld de rest van zijn leven, heeft Goedegebuure niet kunnen achterhalen, ook niet aan de hand van Marsmans quasi-autobiografie Zelfportret van J.F., waar hij voortdurend naar verwijst en uit put. Ook Arthur Lehning, Marsmans levenslange vriend die hij al vanaf de lagere school kende, geeft geen uitsluitsel. Goedegebuure heeft wel gebruik gemaakt van Lehnings privé-archieven en van zijn publicaties over Marsman, maar nergens blijkt dat hij tijdens de voorbereiding van de biografie uitputtende gesprekken heeft gevoerd met deze intimus van het eerste uur.

Jeugd

`Vader, moeder, wereld, knekelhuis', heet het beknopte hoofdstuk over Marsmans jeugd, de woorden die in het gedicht `De grijsaard en de jongeling' volgen op `Groots en meeslepend wil ik leven'. Marsmans vader had een boekhandel in Zeist, gevestigd aan de Tweede Dorpsstraat, vlakbij het huis waar de drie zoons Marsman (Hennie was de oudste) opgroeiden. Erg meeslepend was hun leven daar niet, al organiseerden Hennie en Arthur Lehning in hun HBS-jaren wel eens een tentoonstelling in de boekwinkel, bijvoorbeeld van het grafische werk van de Duitse expressionist Ernst Heckel. Over moeder Marsman, voor haar huwelijk onderwijzeres, komen we niet veel te weten, behalve dan dat ze hervormd was, en voortdurend probeerde om geaccepteerd te worden door de `betere kringen'. Hennie was zijn moeder zeer toegedaan, maar schaamde zich ook voor haar. Misschien omdat hij op haar leek. Van Vestdijk is het verhaal afkomstig dat de volwassen Marsman gevoelig was `voor de burgerij en haar decorum'. Als hij, tijdens het werk aan hun gemeenschappelijke roman Heden ik, morgen gij weleens met de dichter door Utrecht wandelde, zag Vestdijk iets scheefs en verschrikts in zijn houding zodra ze een notabele tegenkwamen.

Al op de HBS manifesteerde Marsman zich als literator in spe. Samen met Arthur Lehning, wiens romantische excentriciteit hij bewonderde, streefde hij `een decadente distinctie' na, maar geruime tijd was de dichterlijke pose belangrijker dan schrijven en publiceren. Zijn eerste proeven van poëzie werden geboekstaafd in Lehnings dagboek, te beginnen op 25 januari 1916, romantische verzen waarin een echo van Hélène Swart doorklinkt. In de loop van 1917 begon Lehning in een rood cahier de uitdijende poëzieproductie van zijn vriend op te tekenen. Sprokkelingen, noemde hij die verzameling, een titel die aangeeft dat hij zich dienstbaar wilde maken aan het zich ontwikkelende talent.

Hennie verruilde het voorbeeld van Hélène Swart al snel voor dat van de modernist Herman van den Bergh wiens werk hij nog net niet plagieerde maar wel verregaand imiteerde. In 1918 – met longontsteking in bed en niet in staat eindexamen te doen – stuurde Marsman zijn gedicht `Dageraad' (`Ik ben de brenger van een nieuwen tijd') ter publicatie naar Het Getij en vervolgens naar Elseviers geïllustreerd maandtijdschrift. Beide weigerden het vers op te nemen, en uiteindelijk werd het geplaatst in Stroomingen. Vervolgens ging het snel: na de publicatie van het gedicht `Nacht' in De Nieuwe Amsterdammer, stuurde hij werk op aan Albert Verwey, die een deel ervan plaatste in zijn tijdschrift De Beweging. Via Roel Houwink, een dichter die Marsman uit Zeist kende, kwam hij in contact met Frans Coenens De nieuwe Kroniek waarin een aantal van Marsmans bekendste expressionistische gedichten uit de beginperiode werden opgenomen.

Gedurende de jaren twintig, waarin Marsman – na een staatsexamen gymnasium – rechten studeerde in Leiden en Utrecht, groeide zijn faam als dichter en literaire figuur. Hij mengde zich - niet altijd even briljant - in literaire en politieke debatten, wilde een revolutie in de literatuur, liet zich op sleeptouw nemen door de Mussolini-aanhanger Erich Wichman en zich ten slotte bijna bekeren tot het katholicisme. In deze periode ontstond een verwijdering tot Arthur Lehning, die de zijde koos van Wichmans zus Clara, de jong gestorven strafrechtjuriste en naaste medewerker van de christen-anarchist Bart de Ligt.

Een omissie in deze biografie is het vrijwel ontbreken van een politiek-maatschappelijke context. Dat wreekt zich vooral wanneer Marsmans verregaande gedweep met het fascisme en zijn nauwelijks verhulde antisemitisme aan de orde komen. Soms leidt Goedegebuures politiek-historische desinteresse zelfs tot merkwaardige fouten (bijvoorbeeld wanneer hij Pétain `de grote Franse held uit de Tweede Wereldoorlog' noemt, waar uiteraard de Eerste Wereldoorlog wordt bedoeld). Storender vind ik dat nergens goed duidelijk wordt waarom Marsman zo gebiologeerd was door sterk leiderschap, wat hem nu eigenlijk zo aansprak in het fascisme en of (en zo ja: hoe) dat verband hield met zijn dichterlijke aspiraties.

Weliswaar probeert de biograaf voortdurend een verband te leggen tussen Marsmans innerlijke worstelingen, zijn turbulente liefdesleven (hij had onder andere een verhouding met Charley Toorop en met Elisabeth de Roos, de latere vrouw van Du Perron), zijn filosofische tobberijen en zijn gedichten, maar dat gaat nooit erg diep en levert geen nieuwe inzichten op. Wat ik bijvoorbeeld mis is een theoretische en in de context van de tijd geplaatste uiteenzetting over het Marsman kenmerkende vitalisme.

Tijdsbeeld

Ook als uitsnede van een tijdsbeeld bevredigt de biografie niet. Het uitvoerige overzicht van het literaire leven van de jaren twintig en dertig dat we krijgen voorgeschoteld, zoals de oprichting van Forum, en van Marsmans vriendschappen met Slauerhoff, Du Perron, Ter Braak, Adriaan Roland Holst, Vestdijk, Achterberg en vele andere schrijvers en dichters, spreekt niet tot de verbeelding. Allerlei interessante figuren die Marsmans pad hebben gekruist, worden vaak nauwelijks geïntroduceerd en meestal komen ze zomaar uit de lucht vallen. Door de gebrekkige, verbrokkelde, informatie over de wereld en de vrienden die Marsman omgaven, heeft Goedegebuure de kans om met deze biografie een aansprekende cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis te schrijven gemist. Dat is extra jammer, omdat juist de jaren twintig en dertig een paradigma zijn voor alle latere debatten over de artistieke, morele en politieke keuzen en verantwoordelijkheden van kunstenaars.

Het mooiste deel van de gedegen, maar nogal saaie en in een academische stijl geschreven biografie is de epiloog, waar nu eens precies uit de doeken wordt gedaan hoe Marsman in de nacht van 19 op 20 juni 1940 aan zijn eind is gekomen. Zoals bekend is het schip waarmee hij en zijn vrouw Rien van Bordeaux naar Engeland vluchtten na een explosie gezonken. Rien overleefde de ramp als enige passagier en heeft kunnen navertellen dat met Marsman ook al diens onvoltooide manuscripten in zee verdwenen.

Waar Goedegebuure zich uitdrukkelijk niet aan waagt, is de vraag of Marsman de manier waarop hij stierf heeft voorzien, getuige onder andere zijn beroemde gedicht over een eenzame zwarte boot die in het holst van de nacht `de dood, de dood tegemoet' vaart. Met een voorvoeld einde heeft dit niets te maken, meent Goedegebuure, want Marsman was aanvankelijk niet van plan de boot te nemen. Van lugubere profetie van Marsman is volgens hem dus geen sprake. Voor de door het noodlot bezegelde angsten van de dichter toont de biograaf, klinisch-afstandelijk, zich ongevoelig.

Zie ook de bespreking van Eric Wichmanns correspondentie op pagina 7