Buitenstaanders met opschrijfboekjes

De ouders van Anton Haakman, zo valt in literaire naslagwerken na te lezen, hadden een manufacturenzaak. Men mag gerust aannemen dat de vele winkels in zijn boeken met dit autobiografische gegeven verband houden. En verder zal hij, zoals iedere schrijver, de nodige inspiratie putten uit eigen leven en ervaringen. Zelf maakt hij veel werk, telkens in iets andere bewoordingen, van het ontkennen van overeenkomsten tussen werkelijkheid en fictie. In zijn nieuwe roman, Het filiaal, heet het nogal cryptisch dat `elke gelijkenis tussen al dan niet bestaande personen een illusie is.'

Ik kan me bij Haakman nooit aan de gedachte onttrekken dat deze waarschuwingen aan de lezer vooral bedoeld zijn om hem al bij voorbaat op het verkeerde been te zetten en hem extra goed te laten letten op mogelijke verbanden met de werkelijkheid. Zou met het dorp `Laarn' soms Laren bedoeld zijn, vraagt men zich dan bijvoorbeeld af. En met `Horn' Hoorn? Zou `Huisum' een kruising zijn tussen Hilversum en Bussum, de geboorteplaats van de schrijver? En café Einder klinkt toch wel erg als Eylders. Voor de roman doet het er hoegenaamd niet toe of Horn begrepen moet worden als Hoorn en Laarn als Laren, maar ongemerkt wordt de lezer zo wel meegezogen in het fantastische complot dat Haakman in zijn romans weet te smeden. Vaak valt bij hem immers niet uit te maken of het perspectief klopt, of de observaties die ons worden voorgeschoteld wel betrouwbaar zijn.

Zijn hoofdpersonen zijn in de regel geen mensen die midden in het leven staan. Zij bevinden zich aan de buitenkant en zien toe, liefst met een schrift of notitieblok bij de hand om hun bevindingen in te noteren. Ook in Het filiaal figureert zo'n toeschouwer, die we in twee levensfasen meemaken: als jongetje van een jaar of acht en als volwassene. De indrukken die hij toen opdeed, tijdens de hongerwinter, hebben zijn leven bepaald, zo valt daaruit te begrijpen. De kleine Ben vangt glimpen op van wat er om hem heen gebeurt en noteert dat in zijn schriften. Ook houdt hij de steeds wisselende uitzichten bij (`geen zon, geen wind, geen regen, wel wat mist, alweer mist') en een inventarislijst van zijn belangrijkste bezittingen, maar op het geheel krijgt hij geen greep. De angst om anders te zijn dan de anderen drijft hem tot een afwachtende houding.

In dat buitenstaanderschap speelt een winkel voor feestartikelen, die ook al opdook in zijn vorige roman, De derde broer (1995), een tragi-komische rol. In Het filiaal vormt die winkel wel zo ongeveer het centrum van de wereld voor de hoofdpersoon, die net als in eerdere romans Ben Dieben heet. Hij voelt zich min of meer op zijn gemak tussen middenstanders, alle andere soorten mensen vindt hij eng en onbegrijpelijk: de arbeiders, de kantoormensen en de kleine bovenklasse van de dokters, de tandartsen en de acrobaten. Op school wordt hij gepest omdat zijn ouders geen fatsoenlijke dingen verkopen, maar alleen schertsartikelen zoals spuitbloemen, stinkbommen, ballonnen, maskers, knallucifers en nepdrollen. Zijn enige wapen tegen de pesterijen is de taal, de macht van het geschreven woord. `Samen durfden ze wel', zo heet het in een geestige, Brakmanachtige passage, `maar als ik er een op straat tegenkwam zonder zijn makkers, hield ik hem aan. Als een politieagent haalde ik mijn opschrijfboekje tevoorschijn en dwong hem zijn naam te zeggen, die ik noteerde.'

Haakman laat in subtiele tussenzinnetjes doorschemeren hoe de meeste dingen hem ontgaan, ondanks zijn opschrijfboekjes. Hij noteert woorden als `rotmof' of `retocerielzalf', maar de oorlog zelf of de wond waarop die zalf gesmeerd wordt, gaan zijn verstand ver te boven. Hij heeft geen idee van verzet of collaboratie, geen idee van wat de mensen in zijn omgeving drijft. De dood van zijn moeder gaat langs hem heen, net als de dreigende teloorgang van de winkel. Zijn ongeschiktheid voor het leven wordt in het tweede deel van de roman nog eens krachtig bevestigd. Hij blijkt niet in staat een eigen leven op te bouwen, maar beperkt zich tot het imiteren van anderen. En zo zien wij hem, volwassen inmiddels, terug als dubbelganger, helemaal verstrikt in getroebleerde herinneringen, fantasieën en waandenkbeelden.

Dat tweede deel is wat minder geslaagd dan het eerste, omdat er veel draden ontward, aan elkaar geknoopt en afgehecht moeten worden. Dat levert de nodige uitleggerige passages op, die aan de geheimzinnigheid van het begin enige afbreuk doen. Het lijkt ook wel of Haakman met de jonge Ben wat beter uit de voeten kon dan met de oudere, die iets lijzigs over zich heeft. Maar wat mij inneemt voor de roman als geheel, is de heldere, aan Hermans herinnerende stijl, die een mooi contrast vormt met de opzettelijk wankele grondvesten ervan.

In doorzichtige bewoordingen maakt Haakman weer eens duidelijk dat de wereld ondoorzichtig is.

Anton Haakman: Het filiaal. Meulenhoff, 190 blz. ƒ34,90