Boeddha mon amour

Halverwege de zesde eeuw ontving de Japanse keizer een boeddha-beeld en begon spontaan te dansen. In Keulen zijn boeddha's uit Japan te zien. Wat doen ze de toeschouwers aan?

Jaren geleden heb ik in het Musée Guimet in Parijs een aantal Khmer-boeddha's uit Cambodja gezien. De aanblik van deze beelden, die de mooiste glimlach ter wereld bezaten, ontwapende me volledig. Tegen zo'n stralende glimlach is zelfs de meest analytische toeschouwer niet opgewassen, je kunt je er alleen maar aan overgeven. Inderdaad, ik had een spirituele ervaring. Ik zou kunnen zeggen dat mijn hart sindsdien overstroomt van kosmische liefde en dat er 's zomers lotusbloemen uit mijn oren groeien, maar dat zou gelogen zijn. Het was slechts dat ene moment van overgave en toen was het alweer voorbij. Maar iets was er veranderd. Het had alleen geen naam, je zou het misschien troost kunnen noemen of inzicht of zelfs verlossing, maar dat waren bleke Betjes van woorden vergeleken bij de intensiteit van de ervaring.

Om kans te maken op weer zo'n naamloze inspirerende ervaring besloot ik af te reizen naar het Museum für Ostasiatische Kunst in Keulen, waar een tentoonstelling gehouden werd van boeddha-beelden en andere heilige voorwerpen uit de Todaiji-tempel in Nara, Japan. Het leven zat me dwars. Enkele maanden eerder was ik verliefd geworden op een fenomenaal computermeisje met prachtige borsten en een welluidende stem. Nu was alles opeens bijna geheel tot stilstand gekomen. ,,Je bent zo alleen dat er geen enkele menselijke manier is om je volkomen verloren te voelen. Soms is het de parade van de monsters en dan weer de optocht van de overwinning, maar er is altijd meer spektakel dan je je kunt veroorloven', schreef Ray Loriga in zijn roman Helden en dat drukte goed uit hoe ik me de afgelopen weken had gevoeld. Liefde is het belangrijkste op de wereld, alleen is er meestal net iets te weinig van.

Als voorbereiding op de reis las ik een paar boeken over boeddhisme. Over het uitgangspunt dat alles in het leven lijden is, zelfs vreugde en geluk worden als vormen van lijden gezien omdat ze vluchtig, van voorbijgaande aard zijn. Afscheid en rouw zijn immers onontkoombaar. De oorzaak van alle lijden wordt in de wensen en verlangens van mensen gezocht. Wie zijn verlangens kan loslaten kan het lijden vernietigen. Zo gladjes als ik het beschrijf verloopt het natuurlijk niet, je moest er van alles voor doen, vooral veel mediteren, maar het leek een mooie truc, beter dan die van het christendom die het lijden zelf zalig heeft verklaard. Toch zag ik het bezwaar van de vluchtigheid van geluk of hartstocht niet zo, voor mij was het juist de kwaliteit ervan, ondanks de pijn die het je kon doen voelen. Want ook die pijn gaat tenslotte voorbij.

Rechtvaardig

De priester Rôben (689-773) is van beschilderd hout. Hij zit op een kleine verhoging. De uitdrukking op zijn vlakke gezicht is streng, kalm en rechtvaardig, precies zoals je van een geestelijke zou mogen verwachten. Zijn hoofd en romp zijn uit één, massief blok cipressenhout gesneden. De schouders, armen en benen zijn er later aangezet. Zijn gewaad is oranjerood en groen, zijn huid bruin-geel, zijn lippen rood geweest en zijn ogen nog steeds pikzwart.

In zijn handen houdt hij een nyoi, een scepter, die van glanzend gelakt ebbenhout gemaakt is. Het handvat van de scepter bootst een stuk bamboe na, de knop bestaat uit een gestileerde olifantskop met uitdijende slurf. De vorm van de scepter is afgeleid van een rugkrabber. Het is een sacraal voorwerp waarmee je tussen je schouderbladen kunt schurken.

Deze ebbenhouten scepter schijnt uit de nalatenschap van Rôben zelf te komen. De beeldhouwer heeft hem waarschijnlijk gebruikt om de levensechtheid van de sculptuur te vergroten. Maar het tegenovergestelde effect wordt bereikt; juist omdat de scepter echt is benadrukt hij de kunstmatigheid van het beeld.

In de tempel wordt het beeld van Rôben, die de eerste abt van Todaiji was, zorgvuldig in een achthoekige schrijn bewaard en is slechts één dag per jaar, op de herdenking van zijn sterfdag, te bezichtigen.

In de zesde eeuw kwam het boeddhisme met Koreaanse immigranten mee naar Japan. De Nihonshoki, kronieken uit 720, vermelden de komst van de Zuid-Koreaanse zadelmaker Shiba Tatto rond 522, die in zijn nieuwe woonplaats in Japan een boeddhistisch tempeltje bouwde. Aangezien vervoer per paard een belangrijke rol speelde bij de eenwording van de Japanse staat had deze zadelmaker veel contacten aan het Japanse hof, en wist hij de belangrijkste adviseur van de keizer zelfs tot het boeddhisme te bekeren.

Na Tatto kwamen nog vele andere boeddhistische immigranten naar Japan, de meesten van hen waren goed opgeleid. Onder hen bevonden zich kunstenaars, kroniekschrijvers, bouwers van tempels, wegen en bruggen en irrigatiespecialisten, die met hun kennis en ervaring een grote bijdrage geleverd hebben aan de Japanse cultuur. Vanwege het Japanse nationalisme wordt dat feit maar moeizaam erkend. De zonen en kleinzonen van Shiba Tatto werden beeldhouwers, in de tempels in en rond Nara zijn nog steeds beelden van hun hand te zien.

Ook in officiële contacten tussen Korea en Japan speelde het boeddhisme een belangrijke rol. Een Koreaanse vorst zond halverwege de zesde eeuw een boeddha-beeld aan de Japanse keizer, die toen hij het beeld voor het eerst zag van vreugde spontaan ging ronddansen. In een brief aan de keizer werd het boeddhisme aangeprezen als `de allerbeste leer die er bestond, ofschoon zelfs voor Confucius onbegrijpelijk'.

In 710 vestigde het Japanse hof zich in Nara. Vanaf 745 werd begonnen met de bouw van de houten Todaiji-tempel. Ook werd besloten om Koreaanse bronsgieters een reusachtig bronzen boeddha-beeld te laten vervaardigen van Mahavairocana, de eeuwige lichtboeddha, waarmee alle mensen van binnen verbonden zijn. Het beeld is achttien meter hoog en loodzwaar. Uit de heuvels rondom de stad werd hout gehaald om mallen te bouwen waarin het brons gegoten kon worden. Bij de inwijding van het beeld, drie jaar later, waren monniken uit China en zelfs India aanwezig. In haar hoogtijdagen in de 8ste eeuw was de Todaiji-tempel een zenuwcentrum, belast met de leiding over talrijke regionale kloosters in heel Japan.

Magere hals

De priester Chôgen (1121-1206) is ook van beschilderd hout. Hij zit op een kleine verhoging. De uitdrukking op zijn doorgroefde gezicht is die van een heel oude man. Zijn oogleden zijn opgezwollen, zijn ogen tot smalle spleetjes samengeknepen, zijn mondhoeken hangen slap neer. Van alle dingen in het leven lijkt de dood hem het meest nabij. De rimpels in zijn magere hals gaan over in de diepe plooien van zijn gewaad, dat in werkelijkheid van een zware doch soepele stof gemaakt moet zijn geweest. Chôgen klemt een rozenkrans in zijn handen.

Het beeld is uit veertien houten delen samengesteld, vervolgens in met lak doordrenkte lappen verpakt geweest en daarna beschilderd. Vermoed wordt dat de beeldhouwer Kaikei dit beeld gemaakt heeft. Chôgen was zijn leermeester en met dit kunstwerk zou hij hem de laatste eer hebben willen bewijzen.

Kaikei heeft ook de bijna meter-hoge, staande boeddha Amitâbha van goudgeverfd hout uit 1206 gemaakt, die eveneens in Keulen te zien is. Amitâbha heeft zijn rechterhand opgeheven in een beschermend gebaar en zijn linkerhand wijst naar de aarde; het gebaar voor geven. De gebogen wijsvingers van beide handen duiden aan dat van de gelovige zelf ook nog enige inspanning verwacht mag worden. Röntgenfoto's van het beeld hebben aangetoond dat zich in het beeld kleine beeldjes en schriftrollen bevinden die als offergaven dienden en die mogelijk van Chôgen afkomstig zijn.

Er zijn meer boeddha's op de tentoonstelling te zien. Een uiterst relaxte houten boeddha Maitreya, de boeddha van de toekomst: in lotuszit, met een dik, gedrongen lijf, elegante handen en halfgesloten blauw-groene ogen. Uit tempelgeschriften zou gebleken zijn dat hij uit het persoonlijk bezit van Rôben komt, de eerste abt van de tempel. Er is een vrolijke, mediterende bronzen bodhisattva die bovenop de stempel van een lotusbloem zit, met zijn onderbeen nonchalant over zijn knie geslagen, die glimlacht, glimlacht, glimlacht. Een bodhisattva is een boeddha die zijn verlichting uitstelt tot het moment dat iedereen verlicht zal zijn en die zich ondertussen actief inzet om alle mensen te helpen, uit mededogen en de diepe overtuiging dat er tussen hem en andere wezens geen verschil bestaat. Zo bezien is Jezus Christus een bodhisattva en Nelson Mandela ook en mijn moeder een beetje.

Er is een houten Bodhisattva Samantabhadra die op een lotussokkel zit, bovenop een olifant. En andere bodhisattva's, van hout of brons. Nog een boeddha Amitâbha. En wat mij betreft de mooiste van allemaal: de pasgeboren boeddha in een wasbekken. Een bronzen, verguld beeldje uit de achtste eeuw, een halve meter hoog, dat op een met lotusbladeren versierd houten sokkeltje staat in een bronzen schaal met een doorsnee van bijna negentig centimeter. Met zijn mollige kinderarmpjes wijst de boeddha-baby naar de hemel en de aarde. De concentratie die van zijn smoeltje afstraalt is hartroerend.

Meditatie

Toen de schrijver Janwillem van de Wetering jong was, worstelde hij met zoveel levensvragen dat hij besloot in een Japans Zen klooster te gaan. Hij schreef er een interessant en helder boek over. Het dagelijkse leven in het klooster in Kyoto bestond uit meditatie, meditatie en nog eens meditatie, soms zes, soms acht, soms twaalf uur per dag, gesprekken met de Zen-meester, werken en een klein beetje eten en slapen. Van de Wetering beschrijft de helse spier- en gewrichtspijnen die hij, stijve stroeve westerling moest doorstaan onder het mediteren. Als iemand onder het mediteren in slaap viel kreeg hij een mep met een lange lat, waarvoor hij ook nog met een buiging zijn dank diende uit te spreken. Elke leerling kreeg van de Zen-meester een koan op, een raadselachtige spreuk waarvan de oplossing tot verlichting kan leiden. Tijdens de lange meditaties moet hij zich op die koan concentreren. Een heel beroemde koan is: iedereen kent het geluid van twee klappende handen. Wat is het geluid van het klappen van één hand? Een ander is: toon me het gezicht dat je had voordat je ouders waren geboren. Toon me je oorspronkelijke gezicht. De antwoorden die de Zen-meester uiteindelijk accepteert kunnen sterk uiteenlopen. Er is niet één goed antwoord voor iedereen. De leerling kan iets zeggen wat nergens op slaat of alleen maar zijn hoofd schudden. Soms duurt het jaren voordat een meester een antwoord van iemand accepteert. Het gaat erom het redenerend verstand lam te leggen, on-logica te aanvaarden. Waarschijnlijk zou Kamagurka een goede kans maken om in één handklap verlicht verklaard te worden.

Ik was nog nooit in Keulen geweest. We bezochten de beroemde Dom. Van buiten was hij okay, van binnen vond ik er geen reet aan. Ook maakten we een boottochtje op de Rijn. Langs de oever stonden verlaten fabrieken. Iemand, waarschijnlijk een Nederlandse binnenschipper, had op een kademuur `Aaltje is een zure bom' gekalkt, en `Lia is een spetter'. Het maakte mij nieuwsgieriger naar Aaltje dan naar Lia. Verder was er onderweg niet veel te zien.

In het Museum zaten twee Japanse monniken achter een tafeltje. Twee keer per dag zegenden ze alle voorwerpen op de tentoonstelling in. Als je wilde kon je door hen je catalogus laten calligraferen. De jongste, uit verlegenheid stuurse, monnik legde me uit dat hij het symbool voor `het hart' in mijn catalogus geschilderd had.

De monniken bleken in hetzelfde hotel te logeren als ik. Bij Van de Wetering had ik gelezen dat boeddhistische monniken zich als ze van huis waren niet in het minst geroepen voelden om zich aan de strenge vegetarische regels van hun geloof te houden, maar dan gewoon alles vraten wat ze tegenkwamen. Terwijl ik langs zijn tafeltje liep gluurde ik op het ontbijtbordje van de monnik. Er lagen worstjes en spek en ham en rundertong op. En ik heb het hem allemaal zien opeten. Hij zat flink te schransen. Begrijpelijk, er moeten grenzen zijn aan de opofferingen die mensen zich getroosten. Verlicht raken kan ook nog wel een andere keer.

Ik vertrok uit Keulen zonder nieuwe inzichten, of het zou het glimmend vette ontbijtbord van de monnik moeten zijn. Het laatste stukje van de reis, fietsend van het station naar huis, regende mijn catalogus nat en had ik opeens een volkomen verregend gecalligrafeerd hart. Diepbedroefd ging ik naar bed. Voor het slapen gaan las ik nog een stukje uit Leven na God van Douglas Coupland: ,,De tijd tikt door; je wordt ouder. Voor je het weet is er alweer te veel tijd verstreken en heb je de kans gemist je door andere mensen te laten kwetsen. Toen ik jonger was had ik waarschijnlijk gevonden dat dat mooi meegenomen was, maar nu ik wat ouder ben klinkt het me in de oren als een onopvallend soort tragedie.' Slaperig bedacht ik me dat veel goede dingen, van postmoderne romans tot aan boeddha-beelden, door mensen gemaakt zijn. Het was een troostrijke gedachte. Terwijl mijn ogen al bijna dichtvielen nam ik me voor om de volgende dag zonder schild over straat te gaan, en hoewel ik het niet zou kunnen uitleggen vond ik dat ongelooflijk boeddhistisch klinken.

Het licht van de Grote Boeddha, schatten uit de Todaiji Tempel, Nara. 11 sept tot 10 nov in het Museum für Ostasiatische Kunst, Universitätsstr. 100, Köln, tel. 0221 9405 18-0

`De lege spiegel', Janwillem van de Wetering isbn 90-6030-329-6