Blind voor het eigen onfatsoen

De beste historische studies lezen als goede romans: ze zijn mooi geschreven, de hoofdpersonen worden zo levendig neergezet dat het is alsof je hen al jaren kent en het verhaal bevat voldoende drama om het in een ruk te willen uitlezen. Niet zelden vloeit geschiedschrijving die tot de verbeelding spreekt dan ook voort uit de pen van niet-professionele historici, zoals de schrijver A. Alberts, de Duitse journalist Sebastian Haffner en de Amerikaanse `huisvrouw' Barbara Tuchman. Hun boeken zijn staaltjes van doorwrocht historisch onderzoek en literair vernuft. Hoezeer zij ook onder vuur werden genomen door academische historici, onverlet blijft dat zij in staat waren het verleden inzichtelijk en levend te maken.

Ook Geert Mak – opgeleid tot jurist – verdient zo onderhand een plaats in de eregalerij van begaafde geschiedvertellers. Zijn Een kleine geschiedenis van Amsterdam en Hoe God verdween uit Jorwerd werden bestsellers en bezorgden hem landelijke faam. Na de voltooiing van de microgeschiedenis van Amsterdam en een Fries dorp heeft Mak de tijd rijp geacht om het verhaal van Nederland in de twintigste eeuw te vertellen. En opnieuw is het alsof je bij hem op schoot zit en weer wil je niet rusten voordat het boek is uitgelezen. De eeuw van mijn vader is dan ook een wonder van vertelkunst. In een land als het onze waar het met de kennis van het nationale verleden zo slecht gesteld is, zou het zelfs verplichte kost moeten zijn op de middelbare school.

Kleine luyden

De rode draad in De eeuw van mijn vader is de geschiedenis van Maks eigen familie van gereformeerde `kleine luyden', met wie het in de loop der jaren almaar beter gaat en die steeds hoger op de maatschappelijke ladder belanden. Het is een in zichzelf gekeerde wereld van eenvoudige, hardwerkende middenstanders, van wie een zoon het bedrijf overneemt en een andere zoon naar de universiteit mag om dominee te worden.

Bij het beschrijven van die wereld is Mak geholpen door de schat aan egodocumenten van zijn familieleden, die over een redelijk schrijftalent beschikten en hun belevenissen in brieven, dagboeken of memoires hebben vastgelegd. Zo is het hem gelukt hun verleden tot leven te wekken, compleet met de geuren en geluiden van toen. Vanuit die familiegeschiedenis maakt Mak vervolgens elegante sprongen naar de grote gebeurtenissen die Nederland in deze eeuw hebben bepaald: de verzuiling, de richtingenstrijd binnen de gereformeerde kerk, de crisisjaren, de twee wereldoorlogen, het verlies van Nederlands-Indië, de Koude Oorlog en de opkomst van de moderne consumptiemaatschappij. Juist door die afwisseling ontstaat een genuanceerd relaas van een bewogen tijdperk, waarin calvinisme en standsbewustzijn de boventoon voeren.

Mak begint zijn verhaal op 28 september 1899, als zijn vader wordt geboren. Plaats van handeling is Schiedam, dat in die tijd ook wel Zwart Nazareth werd genoemd. `Teer en touw, dat moeten vrijwel de eerste geuren zijn geweest die mijn vader rook. Vers, nieuw touw, zeildoek en teer. Dan was er de geur van zout en golven, van grootzeilen, schoenerzeilen, fokken, bramzeilen, razeilen en stormfokken die in de werkplaats te drogen hingen. Er was een keuken, die naar melk en brood rook, en later op de dag naar kaantjes en gebakken vis. En tenslotte was er iets van hout, en de koelte van staal.' Treffender kan een eerste alinea bijna niet zijn. Je weet meteen dat je in de werkplaats van zeilmakerij Mak bent, een zwijgzame microkosmos van eenvoud en hard werken, waarin tijd een geheel andere rol speelde dan nu. Ambachtelijkheid en kwaliteit waren er belangrijker dan haast en winstbejag.

Zeilmaker Mak was een echte patriarch, zoals veel van zijn standgenoten. Hij stond aan het hoofd van een soort extended family, waarvan behalve zijn gezin ook zijn personeel deel uitmaakte. Ongeschreven regels bepaalden de dagelijkse gang van zaken en boden iedereen die zich aan die regels hield een bepaalde mate van zekerheid. Terecht beweert Mak dat die zekerheid een illusie was, vooral als je over de grenzen keek en zag hoe de tegen elkaar opbiedende Europese vorsten langzaam maar zeker op een wereldoorlog afkoersten. Voor de `kleine luyden' van Mak speelde dit circus zich echter af op een andere planeet, die ze min of meer bewust de rug toekeerden.

Het was een houding uit eigenbelang. Nederland was aan het begin van de eeuw, zoals Mak het beschrijft, `een klein, zwak land, dat teerde op een enorm koloniaal rijk. Het was zoiets als een bejaarde Haagse douairière die grotendeels leefde van de opbrengst van een landgoed ergens ver weg, een trofee uit een andere tijd.'

Genesis 3

Vader Mak studeerde theologie aan de gereformeerde Vrije Universiteit en werd in 1924 beroepen in Brielle. Samen met zijn vrouw, een meisje uit de `betere kringen', behoort hij er tot de lokale notabelen. Vol overgave wijdt de jonge dominee zich aan zijn nieuwe taak. Maar ook hier is de rust een schijnwerkelijkheid, want hetzelfde jaar breekt de eerste gereformeerde broederstrijd uit over de interpretatie van een passage uit Genesis 3. Schriftgeleerden vliegen elkaar in de haren over het feit of de slang nu wel of niet gesproken heeft. Dominee Mak probeert zich afzijdig te houden, hetgeen hem enkele vriendschappen kost.

Opgelucht vertrekt hij vier jaar later met zijn gezin naar Medan, een idyllische tijd, althans zo ervaren ze het. Ze gedragen zich als de meeste andere kolonialen en beschouwen de inlanders als minderwaardige mensen. Voor de keerzijde van het kolonialisme zijn ze echter blind, net zoals de zeilmaker Mak dat was aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Want ook Indië was, zoals Mak beschrijft, een wereld van vastgeroeste waarden en normen, waarin iedereen alleen naar het mooie verleden keek en zich afkeerde van de onheilspellende toekomst.

Als de Japanners in 1941 Nederlands-Indië veroveren en door de Indiërs als bevrijders worden onthaald, komt er een eind aan de koloniale idylle. De Nederlanders worden in interneringskampen opgesloten. Voor moeder Mak is het een ontgoocheling. De normen en waarden, die haar als leidraad hebben gediend, brokkelen een voor een af. Maskers van beschaving en deftigheid lossen langzaam op in de dagelijkse misère. Aan de hand van het lot van zijn moeder beschrijft Mak een hele groepering in de vooroorlogse Nederlandse samenleving:

`Ze was al die vooroorlogse jaren een mevrouw geweest zoals er zoveel waren in Nederland en Indië. Iemand die haar ijzeren meningen trouw kon blijven omdat ze veel kanten van het leven nooit persoonlijk had meegemaakt. Nu werd haar waardensysteem op zijn kop gezet.'

Vader Mak beleeft daarentegen een louterende periode. Hij is door de Japanners afgevoerd naar Birma. Als legerpredikant spreekt hij de militairen, die als dwangarbeider aan de beruchte spoorweg werken, moed in. Samen met een pastoor trekt hij langs de dwangarbeiderskampen en organiseert kerkdiensten. Zijn gelovigen creperen bij bosjes. Vader Mak heeft het gevoel zich nuttig te kunnen maken en gaat geheel op in zijn werk. Hij mist vrouw en kinderen amper.

Drie van de vijf kinderen Mak brengen de oorlog in Nederland door. Ze zijn ondergebracht bij een pleeggezin, waarvan de pleegvader, zoals zoveel gezagsgetrouwe Nederlanders, `buitengewoon' pro-Duits is. Hij hield van orde, was bang, in de war, maar absoluut geen landverrader, zou Maks zusje later zeggen. Zo maakt Geert Mak de gecompliceerdheid van de bezetting tastbaar. Door aan te geven dat er in 1942 nog maar een paar honderd mensen in het verzet zaten en dit er in 1944 ongeveer 25.000 waren, terwijl er tegelijkertijd zo'n 25.000 Nederlandse SS-ers aan het Oostfront vochten, laat hij zien dat de werkelijkheid lang niet altijd zo mooi was als tot in de jaren tachtig veelal werd aangenomen. Aan de hand van het `passief antisemitisme' van zijn moeder maakt hij duidelijk hoe gewoon het neerzien op joden voor de oorlog was. Zijn conclusie dat veel joden in Nederland dan ook slachtoffer zijn geweest van dat passief antisemitisme, desinteresse, gemakzucht en angst voor het vreemde klinkt zeer aannemelijk.

Calvinisme

Een dergelijk oordeel velt Mak over de politionele acties. Nederland bleef tot op het laatst ontkennen zich schuldig te hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden. Opnieuw speelde blindheid voor het eigen onfatsoenlijke gedrag ons parten. Mak noemt het `de eindeloze ontkenning, het verdringen van de herinneringen, de weigering om de historische realiteit onder ogen te zien'. Zo waren Nederlanders verontwaardigd over de moordpartijen van de Amerikanen in Vietnam, maar zelf pleegden ze geen oorlogsmisdaden. Het is een houding die volgens Mak voortkomt uit het calvinisme.

Na de oorlog verschilt het leven van de Maks in weinig van dat van de meeste Nederlanders. De Indië-gangers keren terug en zijn door hun oorlogservaringen getekend. Er wordt in 1946 een zoon geboren die de naam Geert krijgt, vader Mak wordt ziekenhuisdominee en moeder verandert van de standsbewuste dame in een progressieve domineesvrouw. De kinderen studeren, herontdekken Karl Marx, trouwen, krijgen op hun beurt kinderen en gaan niet naar de kerk. En daarmee lossen ze langzaam op in de mist van de moderne tijd, waarin zekerheden verder te zoeken zijn dan ooit.

Geert Mak wekt met De eeuw van mijn vader als geen ander het verleden tot leven en houdt ons allen een spiegelbeeld voor dat lang niet altijd even flatteus is. Zeer veel Nederlanders zullen zichzelf en hun familiegeschiedenis in dit boek herkennen. Dat alleen al is een grote verdienste.

Geert Mak: De eeuw van mijn vader. Atlas, 500 blz. ƒ49,90 (geb.), ƒ69,90