Blasé Rotterdam

In 1966, toen in Rotterdam het Concertgebouw De Doelen in gebruik werd genomen, was er opeens `het Doelen-effect'. Sinds de ondergang van de oude Doelen bij het bombardement van 1940 hadden de Rotterdamse muziekliefhebbers alleen nog concerten gehoord in kerken, schouwburgen, de toenmalige Ahoy' en in de Rivièrahal van de diergaarde Blijdorp. Door de nieuwe Doelen explodeerde de publieke belangstelling voor klassieke muziek. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest moest extra concerten geven. Rotterdam was weer `een muzisch centrum', zo constateerde in 1968 het boek Muziek aan de Maas.

Dat was Rotterdam eigenlijk altijd al geweest. Rotterdam was immers de stad van `toonkunstenaars van wereldnaam als Frans Coenen en Daniël de Lange, die Amsterdam een conservatorium schonken', de stad van musicologen als Schallenberg en Reeser, de stad van de componisten Bernard van Dieren, Willem Pijper, Ton de Leeuw en Piet Ketting. De Rotterdammer Anthony van Hoboken schiep in Wenen orde in het oeuvre van Haydn. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest maakte furore onder leiding van Eduard Flipse en na de uitvoering van de monumentale Achtste symfonie van Mahler in de Ahoy' zei Otto Klemperer tot Flipse: `Ich wusste nicht dass Sie so gross sind.'

Drieëndertig jaar na de opening van De Doelen is het Doelen-effect weggeëbd. Gemiddeld is de Grote Zaal van De Doelen met 2.232 zitplaatsen voor driekwart vol bij de concerten van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Het orkest heeft in Valery Gergjev een chef-dirigent van wereldfaam. Hij heeft zijn eigen Gergjev Festival, waar ook zijn fameuze Kirov Orkest uit St. Petersburg optreedt. Maar tijdens het nu afgelopen vierde Gergjev Festival was de Grote Doelenzaal enkele keren slechts voor de helft of minder bezet.

Soms had het afwezige publiek gelijk: hedendaagse kamermuziek, na de pauze gevolgd door een tv-programma op grootbeeld is nauwelijks reden om de deur uit te gaan. Maar de Rotterdammers hebben ook een zeer conservatieve smaak. Toen Jeffrey Tate zeven jaar geleden het Kammerkonzert (1925) van Alban Berg dirigeerde, waren vele abonnementshouders woedend. Nu trokken in het Gergjev festival concertante uitvoeringen van Bartóks Blauwbaards burcht (1918) en Wagners Parsifal (1882) weinig publiek. Bij populair klassiek repertoire (Beethoven, Verdi, Tsjaikovski en Johann Strauss) zat De Doelen weer wel vol.

Een festival kan niet zonder publiek, maar het kan ook niet op safe spelen. Het moet iets anders bieden dan het normale seizoensprogramma. Het Rotterdamse publiek heeft daaraan weinig behoefte. Een half-geënsceneerde uitvoering van Verdi's Un ballo in maschera – geprogrammeerd om een massaal publiek te trekken – werd afgelast omdat er in de Ahoy' slechts enkele honderden plaatsen waren verkocht.

Kennelijk is nu in De Doelen ook het Gergjev-effect voorbij. Men komt in Rotterdam nog alleen voor de bekende muziek en niet meer voor de grote dirigent, die dit jaar een derde van alle Rotterdamse concerten leidt. Gergjev is niet meer bijzonder, maar gewoon. Rotterdam is verwend en blasé. In Amsterdam werd Gergjev zaterdagmiddag met heel wat meer enthousiasme begroet. Het bijzondere van Gergjev is zijn compromisloze gedrevenheid. Die zal hij in De Doelen niet blijven spenderen aan lege stoelen.