Alleen de olifant weet het niet

In alle vroegte parkeerden er een paar geweldige vrachtauto's en een hijskraan op de Dam. Er werd een tent opgericht en daarin een langgerekt podium gebouwd. Dat gebeurt iedere week. Met man en macht en de grootste voorzichtigheid werd een zwaar, rond en lang ding op het podium getakeld. In de tent verspreidde zich een lucht die het meest aan lysol met oude vis deed denken. De zeildoeken werden weggetrokken; het publiek mocht naar binnen. Het wist niet wat het zag. Het kadaver van een walvis, maar wat voor één. Ze lag half op haar kant, bruin als een aardappel, ingezakt waar geen beenderen de zware huid steunden, gaten waar de ogen waren geweest, in geur en aanblik een tafereel van bederf, vergankelijkheid, dood. Buiten klonk het gedruis van het verkeer, een draaiorgel. In de tent was het stil. Uit stof was ze geboren en nu zichtbaar bezig tot stof weder te keren.

Dit alles heeft zich afgespeeld in het midden van de jaren vijftig. De walvis hoorde niet tot de Saatchi Collectie maar was verworven door Floris Meslier voor zijn Theater Plezier. Bezichtiging kostte een kwartje, de helft vloeide in de gemeentekas en de burgemeester zelf kwam een kijkje nemen. Kleine kinderen die aan de hand van hun ouders de tent binnenkwamen, zagen iets dat ze hun leven lang niet zouden vergeten; sommige opa's en oma's zijn er nog niet over uitgepraat. Goeie ouwe tijd.

Gesteld dat de walvis met een harpoen was gesigneerd door Damien Hirst, en Rudi Fuchs had er de hand op weten te leggen, om haar naast de container met ziekenhuisafval te zetten (die ons de technocratische benadering van leven en dood laat zien), hadden we dan toestanden gekregen zoals nu in Brooklyn? Ik geloof het niet. Op zondagochtenden hadden er lange rijen in de Paulus Potterstraat gestaan, van mensen die gingen kijken naar het nieuwe werk van deze jonge Britse kunstenaar die ons deze keer confronteerde met de verhouding tussen de homo economicus en de schoonheid uit de diepte van de oceanen bij de aanvang van het nieuwe millennium.

In Brooklyn is er, zoals de wereld intussen weet, nog iets anders aan de hand. De tentoonstelling die morgen wordt geopend, bevat een schilderij getiteld The Holy Virgin. Als je van het genre houdt niet slecht, naar de foto's te oordelen. Het zou een werkje van dertien in het dozijn zijn, als het niet was beplakt met olifantenvijgen. Wat er in het hoofd van burgemeester Giuliani omging toen hij ervan hoorde, zullen we jammer genoeg nooit weten. Het publiek zag zijn boosheid. Hij zou nooit toestaan dat de katholieke bevolking van New York zo zou worden beledigd, en in ieder geval kon het museum niet meer op de bijdrage van zeven miljoen dollar uit de gemeentekas rekenen als de tentoonstelling doorging, met dit schilderij. De woordvoerder liet weten dat in Nigeria, waar de schilder, Chris Ofili vandaan komt, in de religieuze kunst heel veel met olifantenvijgen wordt gewerkt, maar het was al te laat. De partijen hebben zich ingegraven, Giuliani ziet de verkiezingen naderen, hij wil in de Senaat en hij weet dat de meeste kiezers, katholiek of niet, sowieso al tegen excrementen op schilderijen zijn, en zeker als ze er belasting voor moeten betalen – vrijheid van meningsuiting of geen vrijheid van meningsuiting.

Op het ogenblik dat ik dit schrijf is er nog geen kogel door de kerk. Intussen wordt overal in de wereld de zaak druk besproken. De zachtmoedige dichter Francis Berry uit Dublin zei: ,,Ik begrijp de boze katholieken wel. Als er straks iemand komt met een grote foto van de Holocaust, een beetje eigentijds bewerkt, en hij heeft Saatchi verteld dat die ondersteboven moet worden opgehangen, krijg je ook een schandaal, en dan wordt het museum gesloten. Maar hoe is het toch mogelijk, dat de mensen het nog steeds niet begrijpen. We trekken grenzen. De vraag is alleen: waar en waarom. De kunst zit niet in dit schilderij, maar in het drama met een paar miljoen acteurs die allemaal zichzelf spelen. Iedereen en alles doet mee, Giuliani, Bill en Hillary, de wereldpers, CNN, jij en ik, en in Nigeria zitten ze er ook over te praten. Daar zijn ze nu trots op Chris Ofili. Straks komt de Paus er nog bij. Het is jammer dat die olifant het nooit zal weten.''

Ik vertelde hem het verhaal van Karel Appels muurschildering, Vragende kinderen, in de kantine van het Amsterdamse stadhuis, waardoor de ambtenaren geen hap meer door de keel konden krijgen. Het verbaasde hem van onze tolerante en kunstzinnige stad. ,,Wanneer was dat?'' ,,Ergens in de jaren vijftig.'' ,,Dan'', zei hij, ,,hebben die vragende kinderen veel aan de gemeenteambtenaren te danken. We denken dat we in razend tempo vooruitgaan, de klok werkt, we winden hem op, hij tikt, maar hij blijft hezelfde uur aanwijzen. Dat hebben we aan Marcel Duchamp te danken.''