Afgescheiden, vrijgemaakt en dolerend

Het was een spelletje voor kerkelijk ingewijden in de tijd dat de radio nog niet door de televisie was verdrongen. Als het toestel werd aangezet en er klonk een kerkdienst of meditatie uit de luidspreker proberen te raden welke kerkelijke denominatie aan het woord was. Gebruikte de spreker het woord `Heere' voor de Almachtige, dan moest je in de orthodoxe, reformatorische of bevindelijke hoek zoeken. Werden er gezangen gezongen dan had je te maken met `gewone' gereformeerden of `lichte' hervormden. Werd er uit de bijbel gelezen in de uit 1637 daterende Statenvertaling en klonken er alleen psalmen in de berijming van 1773 dan was je bij de Gereformeerde Bond of de christelijke-gereformeerden.

Gereformeerden zijn er in vele soorten en maten. Ze dragen – voor buitenstaanders vaak moeilijk te doorgronden – predikaten als bevindelijk, evangelisch, reformatorisch, orthodox of modern en hebben zich gegroepeerd in een grote variëteit van kerken en organisaties. In zijn boek Gereformeerd zijn en blijven, een wankel evenwicht?!, als historisch-sociologisch proefschrift verdedigd aan de Universiteit van Leiden, maakt J.E. Post een uitvoerige vergelijking tussen drie belangrijke gereformeerde groeperingen: de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk.

Protest

De Gereformeerde Kerken ontstonden aan het eind van de vorige eeuw uit een fusie van twee groepen die uit protest tegen de dominante vrijzinnigheid uit de Nederlandse Hervormde Kerk stapten: de Afgescheidenen (1834) en de Dolerenden (1886). Abraham Kuyper was hun voorman. Als hoofdredacteur van het dagblad De Standaard, stichter van de Antirevolutionaire Partij en oprichter van de Vrije Universiteit zette hij zowel organisatorisch als inhoudelijk zijn stempel op het gereformeerde leven. Afwijkende meningen werden aanvankelijk nauwelijks geduld. Tweemaal werden dissidenten uit de Gereformeerde Kerken gezet. Beide keren ging het, zo maakt Post duidelijk, om jongeren die de autoriteit van de gezichtsbepalende leiders ter discussie stelden. In 1926 was dat de groep rond de Amsterdamse dr. Geelkerken, die veel steun genoot onder studenten van de Vrije Universiteit. In 1944 leidde de kritiek van de Kampense hoogleraar Schilder op bepaalde elementen van de leer van Kuyper tot een tweede scheuring, waaruit de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) ontstonden. Het merendeel van de Kampense studenten ging met Schilder mee.

Omdat de Gereformeerde Kerken het, in het spoor van Kuyper, als opdracht zagen de cultuur en de samenleving te kerstenen en dus openstonden voor de wereld, zijn zij ook het meest beïnvloed door het proces van secularisatie. De frustratie over de twee kerkscheuringen – `dat nooit weer' – maakte het verweer tegen de doorwerking van het secularisatieproces binnen de kerken zelf moeilijk. De gereformeerden oriënteerden zich steeds meer op de wereld buiten de kerk, waardoor hun eigen karakter en identiteit geleidelijk vervaagden.

Een klein aantal gereformeerden ging in 1892 niet mee met de fusie van Afgescheidenen en Dolerenden. Zij vormden de basis van de Christelijke Gereformeerde Kerken, die niets van Abraham Kuyper moesten weten. Tegenover het zelfbewustzijn van de Gereformeerde Kerken staken deze kerken timide af, ook al door hun geringe aantal. Begin deze eeuw begon het aantal Christelijke Gereformeerde Kerken echter toe te nemen. Voor de Tweede Wereldoorlog was er van een externe oriëntatie nauwelijks sprake, aldus Post. Maar geleidelijk nam, mede door de kerkscheuringen, het zelfbewustzijn van de Christelijke Gereformeerde Kerken toe. Na de oorlog ontstond meer oog voor de wereld buiten de kerk; zo werd het besluit van de synode van 1937 om niet mee te werken aan radio-uitzendingen (zondagsarbeid) in 1947 herroepen. Deze voorzichtige openingen naar de nieuwe tijd leidden tot een reactie van behoudende zijde. Daardoor zag de kerkelijke leiding, volgens Post, zich genoodzaakt een angstvallig evenwicht te bewaren tussen orthodoxie en moderniteit, waarbij voortbestaan het primaire doel werd.

De Gereformeerde Bond (1906) verschilt principieel van de twee bovengenoemde kerken, omdat hij onderdeel uitmaakt van het grote geheel van de Nederlandse Hervormde Kerk. De bond hecht aan behoud en herstel van de traditionele vormen en normen, maar blijft steeds loyaal aan de vaderlandse kerk. Aanvankelijk voelden de leden van de Bond zich thuis bij het gedachtegoed van Abraham Kuyper en vonden ze politiek onderdak bij de Antirevolutionaire Partij. Toen de invloed van de `bevindelijke' stroming toenam, waarin het accent ligt op de rechte leer en op de (juiste) persoonlijke beleving van het geloof, schoof de bond politiek op naar de SGP. Tegenwoordig herbergt ook de RPF een flink aantal bonders – onder wie de schrijver van dit boek.

Omdat zijn invloed op de Nederlandse Hervormde Kerk als geheel in de praktijk beperkt bleef, trok de bond zich steeds meer op zichzelf terug. `In het isolement ligt onze kracht', was de leus. Men keerde zich tegen de Nieuwe Vertaling van de bijbel. Veranderingen van liturgie, een nieuwe psalmberijming of herziening van de belijdenisgeschriften waren taboe. Door het vasthouden aan de eigen identiteit en de afnemende kracht van andere richtingen in de Nederlandse Hervormde Kerk is de positie van de bonders de laatste twintig jaar sterker geworden, overigens zonder dat hun invloed op het beleid van de kerk daadwerkelijk toenam. Tot interne conflicten komt het onder de bonders zelden. Dissidenten verdwijnen stilletjes en schuiven zonder veel pijn door naar het midden van de Nederlandse Hervormde Kerk. Wie de bond verlaat, is nog geen kerkverlater.

Terecht constateert Post dat de gereformeerde kerken en groeperingen momenteel voor moeilijke beslissingen staan. Secularisatie en de uniformerende invloed die uitgaat van de massamedia tasten de identiteit van de diverse kerken aan. Van de andere kant worden ze van binnenuit uitgehold door nieuwe christelijke instituten als de Evangelische Omroep en een politieke partij als de RPF, die zich van de historisch gegroeide kerkgrenzen niets meer aantrekken. Vooral onder jongeren is sprake van een afnemend kerkelijk besef. Wat zul je je nog druk maken over kerkgrenzen en leerstellige nuanceringen als je gezellig samen kunt zingen op de EO-jongerendag? Daarbij komt dat de pluriformiteit binnen de verschillende kerken en groepen steeds groter wordt. Er zijn bonders die de Nieuwe Vertaling gebruiken en tal van Christelijke Gereformeerde Kerken waar gezangen worden gezongen. Het wordt steeds moeilijker een radiokerkdienst bij het eerste horen te determineren.

EO-kerk

Tekenend voor de veranderingen in de gereformeerde wereld is de constatering van de aan de Vrije Universiteit werkzame vrijgemaakt-gereformeerde historicus G.J. Schutte onlangs in het Friesch Dagblad, dat de tijd rijp is voor een pluriforme EO-kerk, waarbij alle rechtzinnige gereformeerden en evangelischen groeperingen zich zouden moeten aansluiten. Het boek van Post laat zien dat de leiders van de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Bond daar nog niet aan toe zijn, terwijl de synode van de Gereformeerde Kerken haar zaligheid in samengaan met de Nederlandse Hervormde Kerk heeft gevonden. Maar de kans dat de kerkelijke aanvoerders door de achterban worden ingehaald neemt hand over hand toe.

Post heeft voor zijn vergelijkende studie veel materiaal doorploegd. Over de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken was al vrij veel geschreven, maar voor zijn informatie over de Gereformeerde Bond en de Christelijke Gereformeerde Kerken heeft hij toch voornamelijk moeten putten uit primaire bronnen, zoals notulen van synodevergaderingen, brochures en talrijke plaatselijke, regionale en landelijke kerkbladen. Zijn boek was nog completer geweest als hij ook de ontwikkeling van de vrijgemaakt-gereformeerden in zijn onderzoek had betrokken, want die horen daar zowel kerkhistorisch als sociologisch in thuis. Maar van een lid van de Gereformeerde Kerken die zich door zijn huwelijk heeft bekeerd tot de Gereformeerde Bond mag je geen monnikenwerk verwachten.

J.E. Post: Gereformeerd zijn en blijven, een wankel evenwicht?! Groen, 423 blz. ƒ49,90