Aanschouw mijn blote billen

De Nederlandse beeldend kunstenaar, schrijver, publicist en proto-fascist Erich Wichman beschikte over een teugelloze dadendrang, maar veel heeft hij niet nagelaten. Wie was hij? Uit de correspondentie van dit `geïmplodeerde genie' rijst een man op van Multatuliaanse allure.

Een ongeleid projectiel is misschien nog de beste typering voor de Nederlandse beeldend kunstenaar, schrijver, publicist en proto-fascist Erich Wichman (1890-1929). Een man met een ontembare, teugelloze dadendrang en een enorm talent om vriendschappen alsmede zichzelf te gronde te richten. Over Erich Wichman schrijven is als het samenvatten van een archipel. Je zoekt naar een kern die er misschien wel helemaal niet is. Hier en daar glinstert een smaragd, op andere plaatsen zie je slechts drek en ellende. De edelsteen glimt er niet minder om, Wichmans spreekwoordelijke merde neemt evenmin af. Het gekke is: Wichmans onmiskenbare genialiteit doet altijd vermoeden dat hij meer glimmeriken moet hebben voortgebracht. Naast zijn onvergetelijke (maar ondanks een herdruk in 1979 toch vergeten) tirade tegen de Nederlandse mentaliteit Het witte gevaar. Over melk, melkmisbruik en melkzucht (1928), een schitterend geschreven, erudiet, literair meesterwerkje, verspreide geschriften en een serie buitengewoon fraaie maskers en kunstnijverheidproducten, heb ik altijd gedacht dat er nog eens méér Wichman-kostbaarheden zouden opduiken.

Dat is nu inderdaad gebeurd, dankzij de speurzin van F.J. Haffmans, die een groot aantal brieven van Wichmann vond en bezorgde in Geest, koolzuur en zijk. Deze epistolaire bundel vertoont echter hetzelfde beeld dat we al kennen en laat de lezer opnieuw achter met de hoop dat er in de eilandenarchipel die Wichman heet nieuwe smaragden zullen opduiken. Tegelijkertijd besef je dat die hoop ijdel is. Veel meer zal er niet meer boven water komen.

Ik ben niet de enige lezer die heen en weer wordt geslingerd tussen hoop en teleurstelling als het om Erich Wichman gaat. Haffmans nam niet veel brieven op van Wichmans correspondenten - Wichman was altijd onderweg, van krot naar (letterlijk) omgebouwde plee, een vaste woonplaats zou hem evenmin zijn brieven hebben doen bewaren, vermoed ik - maar de weinige brieven áán Wichman die het overleefden (bijvoorbeeld van de tafelzilverfabrikant Begeer voor wie Wichman kunstwerk leverde, of de journalist Henri Wiessing) verwoorden dezelfde hevige gevoelens. `Om mijzelf te sparen, mijn geld, mijn hersenen en mijn zenuwen', schreef Begeer hem in 1919, `kom ik tot het besluit dat onze tegenwoordige verhouding moet eindigen.' Een (inderdaad) goed advies kon er twee jaar later nog wel af: `Het ontbreekt jou in de eerste plaats aan de rust – de macht tot concentratie – voor werk, dat niet een directe vrucht is van je scherp maar rusteloos denken. Zie je kans die rust te krijgen, dan zul je gemakelijk een weg vinden. Krijg je die rust niet, dan zul je niettegenstaande je overvollen, geestelijken mars, verzuipen.' Wichman heeft zelf nog het beste Begeers gelijk bewezen, door in zijn achtendertigste levensjaar, hartstochtelijk als altijd, ten onder te gaan.

Het ongerichte projectiel Erich Wichman werd op 4 januari 1929 op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied ter aarde besteld. Een opgebrand man, het materiaal dat hem een leven lang had doen vlammen was schoon op, niet in de laatste plaats omdat hij zo slecht op zijn energievoorraad had gelet. Hij vocht al van jongs af aan, waarbij hij gewrichten verstuikte of botten brak. Bij scheikundeproefjes (hij was rusteloos bezig in de sfeer van het Anarchistisch Kookboek) verloor hij als kind een oog. De kunst van honger te verrekken verstond hij als geen ander (hij schept herhaaldelijk op in geen drie weken iets te hebben gegeten), zijn longen moeten ruïneus zijn geweest en toen Wichman daadkrachtig een aantal studenten bijstond de Vecht van overstromen te weerhouden, verslond een longontsteking in de paar dagen daarna zijn laatste restje leven.

Een anti-Nederlander, gesneuveld na een typisch Hollandse scène. Je zou hem de laatste woorden van Henrik Ibsen hebben toegewenst (`Andersom'), maar Wichman zei: `Te laat'.

In zijn brieven laat Wichman zich nog veel krachtiger uit over Nederlanders dan in het Het witte gevaar, waarin hij ze melkdrinkers noemt. Blank of wit zijn dun gezaaid in Wichmans epistolaire beeldspraken, bruin is de kleur van zijn keuze. Een van zijn maskers noemde hij `Z.M. Koning Drol', hij schrijft over redevoeringen die verzuipen in stront, vroegere vrienden zijn naar zijn mening `schijthuizen die zich door eigen kracht ontwikkeld hebben tot W.C.'s met mahoniehouten bril en waterspoeling' en meer dan eens roept hij Adspice nudatas, Barbara Terra, Nates! (`Aanschouw, barbaars land, mijn blote billen!'). Dit ophouden van een spiegel vindt plaats als Wichman in 1923 een transalpine passage onderneemt richting Milaan. Ondanks het moeizame klimaat in de stad (Wichman klaagt over de benauwde hitte) maakt hij kennis met wat hij voor zegenend koolzuur houdt: Mussolini's fascisme en het aanverwante futurisme van Marinetti. Het is een beslissende kennismaking. Maar hij moet (`pegels') ook weer terug naar het vervloekte Nederland, en schrijft op 7 september 1924 aan zijn vriend Hettel Bruch: `Daar ergens in de Gotthart, met zijn vuile gat, z'n kont, zijn endeldarm waar ik in moet kruipen – als er van `luilekker' gesproken kon worden sprak ik van `rijstebrijberg', waardoor je kruipt in de verkeerde richting.' Dat de Utrechtse hoogleraar Vogelsang zijn student kunstgeschiedenis Wichman over het werk van Rabelais wilde laten schrijven lijkt niet uit de lucht gegrepen, al begrijpt hij bij Wichmans eerste bijdrage aan een tentoonstelling dat uitdrukkingen van diens eigen `phantasmagorischen kant' voorrang verdienen.

Afgezien van scatologische apecten is er zeker iets Multatuliaans in Wichmans toon. Natuurlijk leefde Multatuli in een andere tijd, ondanks een enkele oorveeg bleef hij een heer, hoe fel soms ook. Bij Wichman is alles feller, conform de geest van zijn tijd: vuist, ploertendoder, pistool, granaat, mitrailleur. Meestal in woorden: afgezien van een geladen revolver die hij als jongen meenam naar school (we lezen een briefje van de rector waarin hij zich beklaagt dat deze onhandelbare leerling een ruit heeft stukgeschoten) is Erich Wichman toch vooral een verbaal tirailleur. En werd er echt gevochten, dan was hij de eerste die gewond raakte. In dat opzicht lijkt hij op Don Quichote, die als vechtersbaas ook steevast zelf in de vernieling raakte.

En toch is er die overeenkomst met Multatuli. Beiden waren balling, beiden zaten chronisch zonder geld (Multatuli omdat hij een gat in zijn hand had, Wichman omdat hij doodeenvoudig niets had), beiden waren zwak van longen. De rust om zich te concentreren vond Multatuli wèl lang genoeg om een oeuvre bijeen te schrijven, al produceerde hij de laatste jaren niets noemenswaardigs meer, net als de levenslang niet erg productieve Wichman.

Wichman leed aan wat hij zelf citatomanie noemt, een onderdeel van zijn beslist manische persoonlijkheid. Ovidius, Schiller, Kloos, Goethe, (wiens Faust hij uit het hoofd kende) en vele anderen: Wichman moet een fotografisch geheugen hebben gehad. Ook Multatuli stond op zijn gevoelige plaat. Haffmans herleidt weliswaar slechts één Wichman-citaat tot een van de schaarse Multatuli-gedichten (`Op God' uit Woutertje Pieterse), de Wichman-brieven bevatten ook een weergaloze transcriptie van het Amsterdams dialect zoals dat in hetzelfde Woutertje Pieterse te vinden is: `of meheir nie sau met se bed wil kroake, want de jufrouw fen achter-onder die kraag er sulleke roare draume fen'. Als Wichman spreekt van `allemaal wind en een Engelse nothing' is dat óók een Multatuli-citaat, en een aforisme als `Een steen in een moeras gegooid, maakt zelfs geen rimpels' brengt ons evenzeer de schrijver van de Ideëen in herinnering. De literaire kwaliteit van de Wichman-brieven biedt soms met succes op tegen die van Douwes Dekker. In anti-parlementarisme zijn ze elkaars evenknie, getuige Wichmans versie van een Tweede Kamertoespraak: `Enh.dhanh.mheneerh.deh.whoozhittterh. hheph.ikh.nhoch.eenh.mhooshieh: afh.zhalh.jeh.sjterwhe!'.

Had hij maar... Maar Wichman bleef steken bij directe vruchten van zijn scherp maar rusteloos denken. En zijn altijd scherpe maar rusteloze doen, samen in actie met vrienden, die ook in Mussolini en het Italiaanse fascisme de toekomst zagen. In de laatste jaren van zijn leven heeft Wichman zijn schamele energie vooral besteed aan rommelige polemieken in het blad De Bezem en aanfascistisch kwajongenswerk. Al in 1912 schreef hij aan zijn beroemd geworden zuster Clara Wichmann (hij liet de tweede `n' altijd weg, zij niet): `In den beginne was het Ingezonden Stuk, en het Ingezonden Stuk was bij God, en God was het Ingezonden Stuk'.

In zijn laatste levensjaren lijkt Wichman dit Woord met al zijn polemische inzendingen vlees te hebben gegeven. Dieptepunt is wel het plan om vlooien uit te blazen over de gehate socialisten tijdens de 1 mei-demonstratie van 1928. Haffmans nam het tekeningetje op, waarin Wichman toont hoe dat zou moeten gebeuren. Hoe hilarisch ook, je ontkomt niet aan teleurstelling. Is dit de Wichman die correspondeerde met de literaire grootheden van de beginjaren twintig ? Die een filmscript schreef met Joris Ivens (een van de opmerkelijke vondsten van bezorger Haffmans, die als bijlage enkele fragmenten opnam)? Die correspondeerde met Kandinsky, wiens werk hij propageerde? De lithograaf wiens kunstmappen werden afgewerkt door Arthur Lehning en echtgenote? Een man die werk met opdracht uitwisselde met de Italiaanse futurist Marinetti (nog een nouveauté van deze brieveneditie)?

Welk talent in 1929 ten onder is gegaan door het leven `een zwaai' te geven is moeilijk te omschrijven, maar vrijwel iedereen erkende Wichmans grote gaven op het gebied der schone kunsten, op literair gebied. Tekenend is een brief aan Hendrik Marsman, in wiens vroege werk Wichman `de zwaai en het grote gebaar' herkende. Misschien wel de meest opzienbarende vondst die Haffmans deed is het epistel, waarin Wichman Marsmans gedicht `De Ondergang' woord voor woord van commentaar voorziet. Marsman lijkt op dat moment op de rand van de waanzin te balanceren, vraagt zijn vriend om een oordeel en dat krijgt hij: zeer geconcentreerd, haarscherp, briljant. Dat het daarbij om uitgerekend dit gedicht gaat is extra pikant: Marsman lijkt erin te zinspelen op zijn dood in 1940, als hij in het Kanaal met een getorpedeerd schip ten onder gaat.

Opmerkelijk is ook de Wichman-brief aan de beruchte priester Wouter Lutkie, een fascist maar later anti-Duits. Wichman vraagt om katholiek materiaal voor een pamflet in wording dat `De kunst van het verrekken' moet heten. Over de toelaatbare grenzen van het vasten, de woestijnvaders en over de vraag of volstrekte geheelonthouding inderdaad strijdig is met de leer van de Kerk, zoals een Amerikaanse bisschop had beweerd. Haffmans schrijft dat Wichman er zelfs over heeft gedacht zich te bekeren tot het katholicisme. Wie weet, je kunt het bij Wichman soms zo gek niet bedenken, al krijgen we onmiddellijk een scène voor ogen waarbij hij zo hardhandig uit de mis wordt verwijderd dat hij er een zoveelste mitella aan overhoudt.

Wichman mag hier en daar de epistolaire kwaliteiten van Multatuli bereiken, veel stukken in Geest, koolzuur en zijk zijn zakelijk of missen bevlogenheid, afgezien van een enkel `godgloeiendegodverdomme' – want zo dicht zat Wichman nu ook weer niet tegen de Moederkerkpraktijk aan.

Wat ook uit de brieven naar voren komt is het wisselvallige, soms ernstige dan weer ironische zelfbeeld van Wichman. Soms klinkt hij megalomaan: `Ik mag wel zeggen dat er nauwelijks iemand ter wereld zooals ik beschikt over een zoo groote kennis van, en handigheid in, de verschillende kunst- en kunstnijverheidstechnieken, scheikunde en algemeene technologie, terwijl ik in verscheidene technieken over eigen uitvindingen, respectievelijk belangrijke verbeteringen der bestaande technieken beschik.' Soms bedient hij zich van zelfspot: `Ziehier een onpartijdige beschrijving van mijn persoon: een goeiig dronkemansgezicht à la Verlaine (ik kan er niks aan doen) blonde haren, voor zoover nog aanwezig (helaas, helaas `Giovanezza'?) kort en achteruitgeborsteld: ik draag nooit een hoed, behalve in de winter, bezit roodblonde snor en sik, blauwe, eenigszins scheele, oogen, draag zeer slordige kleeding met een omgeslagen boord (`Schiller'– of `Stadion'-kraag) en loop meestal erg krom (Mooi hè?!). In twijfelachtige gevallen herkenning door de `Gesto Romano' (braccio teso) en het noodige krijgsgeschreeuw.'

Hier kunnen we ons tot brievenbezorger Haffmans wenden, die in zijn minutieuze notenapparaat de braccio teso (`het Romeinse gebaar') verklaart als de fascistengroet. Met liefde voor de hoogtepunten in Wichmans bescheiden oeuvre, met afstand van diens minder edele kanten, maar overal kennelijk gefascineerd, schreef Haffmans ook een heldere inleiding: een biografische afdeling, stukken over de verschillende correspondenten en een meer essayistisch stuk waarin hij poogt Wichmans schuld en onschuld in verband met het vroege fascisme en wat daar uit voort is gekomen te scheiden, en een nogal geslaagde psychologische schets op papier zet.

Nu je in Geest, koolzuur en zijk alle brieven achter elkaar kunt lezen dringt zich ten slotte een verband op dat Erich Wichman zelf wellicht helemaal niet voor ogen had. Tafelzilverfabrikant Charles Begeer had gelijk: Wichmans mars was overvol. Het explosieve, maar volstrekt geïmplodeerde genie Erich Wichman zou echter de eerste zijn om te zeggen: `Lik me de mars, man!'.

Geest, koolzuur en zijk. Briefwisseling van Erich Wichman. Verzameld en toegelicht door F.J. Haffmans. Van Gruting, 312 blz. ƒ59,90