50 jaar volksrepubliek

VIJFTIG JAAR GELEDEN marcheerden Mao's troepen Peking binnen. De Volksrepubliek was een feit, de Nationalisten van Tsjiang Kai-sjek moesten zich terugtrekken op Taiwan en een paar eilandjes vlak onder de Chinese kust. In Amerika werd de regering-Truman verweten China `verloren' te hebben. Niet dat iemand in de VS zich toen al zorgen maakte over de feitelijke machtsbalans in de wereld. Maar het gevoel dat het internationale communisme de pas verworven Amerikaanse hegemonie bezig was te ondermijnen overwoekerde snel de openbare mening. Een eerste gevolg was de ontketening van een heksenjacht op vermeende communisten en hun sympathisanten in de leidende sectoren van de Amerikaanse samenleving zelf.

Langs alle hoogte- en dieptepunten in de onderlinge betrekkingen heen is de Amerikaanse angst voor de sluimerende reus China intact gebleven. De eerste en tot dusver laatste militaire confrontatie tussen beide landen, tijdens de Koreaanse oorlog, werd mede veroorzaakt door de overweging binnen de Amerikaanse legerleiding dat dit het goede moment was om met het gevaar af te rekenen, desnoods met gebruikmaking van Amerika's toen nog exclusieve wapen, de atoombom. Andersom vormde de episode het bewustzijn van China's leiders: de VS moesten tot alles in staat worden geacht om hun suprematie te waarborgen.

PAS TOEN HET grootste gevaar van de andere kant leek te komen, van de Sovjet-Unie, aanvaardde Mao Amerikaanse protectie. Het was het jaar 1972. De breuk met Moskou bevestigde het al langer bestaande vermoeden dat het communisme niet de monoliet was waarvoor het lange tijd werd gehouden. President Nixon en zijn adviseur Kissinger begrepen de kans die hun hier geboden werd. Maar Mao zelf bleef de relatie van de machiavellistische kant bekijken. Hij maakte er voor zijn hoge gasten geen geheim van dat hij, als het er op aan kwam, van hen dubbelspel verwachtte. Wederzijds wantrouwen is de ontwikkeling van de Amerikaans-Chinese betrekkingen blijven belasten.

Het bloedbad op Pekings Plein van de Hemelse vrede in 1989, toen militairen een gewelddadig einde maakten aan een wekenlang protest tegen het regime, was merkwaardigerwijs een uitzondering. Het veroorzaakte weliswaar heftige beroering in de Amerikaanse openbare mening, maar schokte de regering-Bush nauwelijks. In het diepste geheim werden onmiddellijk gezanten naar China gestuurd om de continuïteit van de onderlinge betrekkingen te verzekeren. Over de overlevingswil van China's leiders maakte officieel Washington zich geen al te grote kopzorgen.

HET WAREN andere gebeurtenissen die de continuïteit onder spanning zetten. Chinese raketproeven richting Taiwan brachten enkele jaren geleden de Zevende Vloot in alarmtoestand, onthulling van Chinese spionage naar Amerika's strategische geheimen veroorzaakte in Washington een woedende reactie, een NAVO-bombardement op China's ambassade in Belgrado riep in Pekings straten bijna vergeten beelden op van furieuze, de Amerikaanse vlag vertrappende betogers. Wie wist op dat moment nog van het imitatie-Vrijheidsbeeld dat tien jaar eerder in datzelfde Peking China's jeugd had begeesterd?

China is sinds 1949 voor Amerika een raadsel gebleven – waarmee het sinds 1972 desondanks het contact heeft geïntensiveerd. Ontwikkelt het land zich tot de belangrijkste opponent van de 21ste eeuw of tot een fundament onder een nieuw te stichten wereldorde van vrede en voorspoed? China's onzekerheid tegenover het machtige Amerika is waarschijnlijk het belangrijkste obstakel voor een positieve oplossing van het raadsel. Voor samenwerking is vertrouwen nodig. Wie geen vertrouwen schenkt krijgt het niet. Dat geldt wederzijds.