Zaak-mr. H.

In NRC Handelsblad van 11 september stond een artikel over de advocaat mr. H. uit Leeuwarden. Daarin wordt nogal ongenuanceerde kritiek geleverd op het destijds door mij als deken op mr. H. uitgeoefende toezicht. Met name zou ik een ambtshalve klacht tegen hem hebben moeten indienen.

Als ik vooraf over het artikel zou zijn gehoord, zou ik het volgende hebben opgemerkt.

De kritiek wijs ik van de hand. Van toezicht is wel degelijk sprake geweest via briefwisseling en gesprekken. Voor een ambtshalve klacht bestond tijdens mijn dekenaat geen aanleiding. Een klacht is een ultimum remedium. In de meeste gevallen gaat daaraan een lange weg van overleg en overreding vooraf. Bovendien heeft ook een klacht geen direct effect, al was het slechts omdat de behandeling – zeker in twee instanties – vaak lang duurt. Ik koos voor overleg om diverse redenen. Zo viel op de eerdere door mr. H. afgegeven accountantsverklaringen niets aan te merken. Voorts stond hij bij mij bekend als een zeer integer advocaat. Ik ontving over hem nimmer een klacht (en dat is vaak een eerste signaal dat er mogelijk wat aan de hand is). Verder werd hij bijgestaan door een goed bekendstaand advocatenkantoor. Dit kantoor gaf in 1996 weliswaar een accountantsverklaring af die enkele vragen opriep, doch na mondeling en schriftelijk overleg hierover met mr. H. nam hij een aantal maatregelen die mij voldoende vertrouwen gaven dat hij bij de eerstvolgende controleronde een onvoorwaardelijke accountantsverklaring zou afgeven. In dit stadium bevond zich het toezicht toen ik in oktober 1997 het dekenaat overdroeg aan mijn opvolger.

Van een ontoereikend toezicht is derhalve bepaald geen sprake geweest.