Terrine met maagd in bloemetjesjurk

Hollands trots is blauw

en komt uit Delft. Onderzoek naar het nationale aardewerk leidde tot een publicatie

en een tentoonstelling.

Het duurste aardewerk was trouwens zwart.

Blompotten, commen, dragonders, kandelaars, pimpels en suijckerpotten: ze hoorden in de 17de en 18de eeuw tot het omvangrijke assortiment van de Delftse plateelbakkerijen. `Wit, blaauw of geschildert' kon men ze leveren en de kopers betaalden er hooguit enkele guldens voor. Tegenwoordig zijn de mooiste exemplaren een fortuin waard en vormen zij begeerde objecten voor verzamelaars en musea.

Het Haags Gemeentemuseum bezit een collectie van 1.100 exemplaren. Alleen het Rijksmuseum in Amsterdam en het Museum van Geschiedenis en Kunst in Brussel hebben een vergelijkbare verzameling Delfts aardewerk. Omdat het vrijwel ontbrak aan recente wetenschappelijke gegevens, is het museum in 1995 begonnen met een grootschalig onderzoek. De eerste resultaten van het project zijn vastgelegd in `Delfts aardewerk. Geschiedenis van een nationaal product', deel I, een fraaie publicatie van Waanders met 300 pagina's vol illustraties, informatieve artikelen en beschrijvingen. De bedoeling is dat er meer delen volgen. Het eerste boek is een leidraad bij de tentoonstelling `Delfts aardewerk 1650-1800, Tot oogen lust en pronkery' in het Haagse museum. Ruim 250 voorwerpen uit de eigen collectie, waaronder kannen, kruiken, kandelaars, schalen en beelden worden er in chronologische volgorde tentoongesteld. Vaak zijn ze kunstig beschilderd, want onder de plateelschilders bevonden zich `luiden van bekwaamheid', zoals een van hen in 1794 schreef.

Delft kende in zijn bloeiperiode, tussen 1650 en 1800, ruim dertig plateelbakkerijen. Ze maakten niet alleen het nu nog wereldberoemde blauw-wit, maar ook effen wit en polychroom Delfts met kleuren als rood, geel, groen en goud. Gedurende een korte periode (tussen 1687 en 1721) werd ook het uiterst exclusieve `zwart' Delfts gemaakt. Op de kunst- en antiekbeurs PAN worden er dit jaar tien stuks van aangeboden, de meeste uit een privé-collectie. De prijzen lopen in de getallen met vijf cijfers, want over de hele wereld zijn er nog maar zo'n zestig exemplaren van bekend, waarvan ongeveer de helft in het Brusselse museum. Slechts enkele plateelbakkers verstonden de moeilijke kunst het zwart Delfts te vervaardigen, zoals `De Griekse A', `De Metaale Pot', en `De Dubbele Schenkkan'. Zij zijn op de expositie vertegenwoordigd evenals `Het Moriaanshooft'. Deze vier bakkerijen komen in het boek uitgebreid aan de orde.

De makers en de datering kunnen meestal worden afgeleid aan de fabrieksmerken op de voorwerpen. De Verenigde Oostindische Compagnie speelde een cruciale rol in de ontwikkeling van de aardewerkfabrieken. De VOC nam scheepsladingen porselein mee uit het verre Oosten. Door hun verfijnde vormen en exotische schilderingen dreigden deze voorwerpen de Nederlandse producten van de markt te verdringen. Daarom begonnen de plateelbakkers de vormen en motieven van Chinees porselein te imiteren en deden dat vaak zeer kunstzinnig. Op de tentoonstelling zijn veel voorbeelden van objecten beschilderd met Chinese interieurs, pagodes en Oosterse bloem- en vogelmotieven.

Uitbundig zijn de terrines, soms in de de vorm van het dier dat er als pastei verwerkt in moest. Zo heeft het museum er een van een zittende, veelkleurige hoender met uitgespreide vleugels en een nest vol eieren. Want, aldus de onderzoekers, ,,men onthaalde zijn gasten niet slechts op een uitgebreid feestmaal, de genodigden dienden ook deelgenoot te zijn van een soort schouwspel.'

Merkwaardig is ook een terrine met een patriottische voorstelling uit 1765. Het deksel wordt gevormd door de Nederlandse maagd in een gele bloemetjesjurk. Ze leunt op de Bijbel, die ligt op een voetstuk met het opschrift `Por Patria Biblia. Eendragt M. Magt', terwijl ze één arm de lucht in zwaait. Gedacht wordt dat ze ooit een speer in de hand heeft gehouden, die verloren is gegaan.

Oorlog, hogere invoertarieven en buitenlandse concurrentie leidden in de 18de eeuw tot de neergang van de plateelnijverheid. Een voor een gingen de bakkerijen over de kop. Slechts één, de Koninklijke Porceleyne Fles, wist zich staande te houden, tot op de dag van vandaag.

Delfts aardewerk 1650-1800,

Tot oogen lust en pronkery.

T/m 5 maart 2000.

Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag.

Open: di t/m zo 11-17u.

Tel. (070) 3381111.

Publicatie: Delfts aardewerk.

Geschiedenis van een nationaal

product. DeelI. Waanders

Uitgevers, Zwolle, 1999.

ISBN 90-400-9358-x